Some Say Yes Some Do Less :: Can Not Be Played In Mono

Soms heb je het gevoel dat het alweer gedaan is met de Belgische hausse. Dat de tijd van écht interessante inlandse rockgroepen al lang voorbij is, en suffe eenheidsworst regeert. En dan duikt plots, als uit het niets, het onmogelijk slecht genaamde Some Say Yes Some Do Less op. De groepsnaam mag nergens op lijken, Can Not Be Played In Mono veegt alle reserves van tafel: kopen.

Zo volgroeid komen ze zelden, en ook Some Say Yes Some Do Less sleurt dus een pak voorgeschiedenis mee vooraleer tot dit sterke debuut werd gekomen. Er was Land, dat het in 2002 tot in de finale van de Rock Rally schopte, en toen dat voorbij was, werd frontman Jonas Tournicourt bassist bij I Do I Do. In de marge richtte hij zijn eigen groepje op, floot er de oude Landgenoten opnieuw bij, en zie: het bijproduct nam het over van de opgedoekte hoofdzaak. Na twee jaar sleutelen en ploeteren is er nu op imposante wijze het toepasselijk getitelde Can Not Be Played In Mono.

Daarvoor klinkt dit debuut immers te goed. Atypisch voor een kleine band die alles in eigen beheer doet, heeft het album niets van de typisch Belgische “als ‘t ok is, is’t goed genoeg”-benadering; de groep trok zelfs naar Boston om de plaat te laten mixen door Alex Hartman, een man die ook bij Lemonheads en Buffalo Tom al eens achter de knoppen mocht zitten. Het resultaat mag er, zoals we hierboven al eens lieten vallen, nogal zijn.

Draai de knop goed open, want Can Not Be Played In Mono smeekt er om op hoog volume te worden genoten. Van bij de eerste repetitieve akkoorden van het naar The Doors (“The End”, om precies te zijn) knipogende “EGZ”, pakt dit bij het nekvel, om niet snel weer los te laten. Het is dwingend als de betere slavendrijver, houdt je strakker in de greep dan een uit zijn spandex puilende worstelkoning. Some Say Yes Some Do Less weet een klein uur lang te begeesteren.

Dat doet het met een boeiende mix van indierock en postrockachtige structuren, die we kennen van bands als Isis en Tool. “Frigh” schiet uit de startblokken zoals zelfs Red Sparowes het niet meer zou durven; het is met gierende banden de garage uit scheuren, en meteen de bocht naar boven pakken. Hard gaan. En toch geen moment de melodie uit het oog verliezen. Straf, noemen wij dat.

“Evry” herinnert ons vervolgens aan iets aanstekelijks uit het grungetijdperk, maar vlàmt vooral nadrukkelijk. En ook “Filidra” heeft die vroege jaren negentig vibe: beetje rauw, beetje popgevoel, beetje pyschedelica. Het is jammen met toegevoegde waarde: altijd toch ergens een song overhouden. In “Flesg” — op steekhoudende titels moet u echt niet te veel rekenen — wordt het zelfs lichtjes dansbaar.

Het is duidelijk: het heilig vuur brandt bij deze mannen. Can Not Be Played In Mono is een plaat die zijn impact dankt aan de kracht waarmee wordt gemusiceerd, aan de manier waarop power en melodie verzoend worden, en wij denken vooral maar één ding: “wanneer kunnen we dat eens live zien?”. We zijn, op zijn zachtst uitgedrukt, zwaar onder de indruk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × een =