Nate Wooley Quintet :: (Put Your) Hands Together

In de wereld van de avant-garde en vrije improvisatie is trompettist Nate Wooley stilaan incontournable, maar er is duidelijk nog een weg af te leggen naar een bredere erkenning als je, ondanks een recente explosie van releases, nog steeds moet wachten op een eerste albumrecensie op het omvangrijke allmusic.com of talloze andere mainstreambronnen. Een plaat als (Put Your) Hands Together kan daar misschien verandering in brengen.

Dat Wooley zo sterk gekoesterd wordt door liefhebbers van muziek in de marge heeft natuurlijk ook volledig te maken met de onvermoeibare experimenteerdrift van z’n werk. Hoewel hij aan de zijde verscheen van figuren die niet steeds in de hardcore avant-garde zitten (zoals Daniel Levin en Joe Morris), is een groot deel van z’n werk gewijd aan exploraties die voorbij gaan aan de gebruikelijke noties van melodie, harmonie, ritme en tonaliteit. Z’n platen met Paul Lytton en de vers verschenen duoplaat met Peter Evans zijn daar goede voorbeelden van. Onlangs speelde hij echter ook op Canada Day II van Harris Eisenstadt, een plaat die volgespeeld werd door gelijkgezinden, maar toch een heel toegankelijk en modern klinkend resultaat opleverde. Zo ‘ver’ gaat dit album niet, al is het vermoedelijk wel Wooleys meest toegankelijke totnogtoe.

Het zal er ook iets mee te maken hebben dat hij van dit album een eerbetoon wilde maken aan z’n familie, en dan kiest zelfs een figuur als Wooley minder snel voor werken die voor driekwart gevuld zijn met schraap- en ruisgeluiden. De openheid en tederheid die aanwezig was op Canada Day II valt ook soms hier te horen, wat deels te danken is aan een gelijklopende kwintetbezetting en instrumentatie. Drummer Eisenstadt is van de partij, net als bassist Eivind Opsvik, terwijl vibrafonist Chris Dingman vervangen wordt door Matt Moran (de enige overblijver van Wooleys oudere kwartet) en saxofonist Matt Bauder door basklarinettist Josh Sinton. Niet enkel een samenstelling die ook in de jaren zestig vrij populair was, maar ook voorzien van een aanpak die vaak gelinkt lijkt aan die periode.

In tegenstelling tot Eisenstadt, die minder conventionele elementen bijna volledig weerde van z’n album, laat Wooley de luisteraar wel een paar keer op de tanden bijten. Zo zijn de solostukken die de plaat openen en afsluiten (beide heten “Shanda Lea” en zijn opgedragen aan z’n vrouw) geen extreme uitspattingen en experimenten met semi-industriële vervorming gestuurd door een volumepedaal, zoals we al van hem gewoon zijn, maar rustige, aftastende stukken, waarbij hij gaat voor (naar zijn normen, althans) zuivere tonen en ingetogen lyriek. Vooral in het eerste stuk duurt het erg lang voor de muzikant zich toch bezondigt aan slik- en sputtereffecten. Het afsluitende stuk is dan weer dromeriger, een zich voorslepende klaagzang met enkele weerhaken.

De derde “Shanda Lea” is een stuk voor trompet en basklarinet en bevat misschien wel de meest schoonheid van het album, een vrijage die halverwege even onderbroken wordt voor plagerig gedol met ongebruikelijke blaastechnieken. Naast die stukken krijg je echter te maken met echte composities die vrij traditioneel in elkaar zitten, met duidelijke thema’s, opeenvolgingen van solo’s en melodieuze inventiviteit. Zo lijkt “Hands Together” aanvankelijk vooral leentjebuur te spelen bij Miles Davis’ “Freddie Freeloader”, maar zoekt het gaandeweg een eigen wereld op tussen de traditie en een vorm van post-bop, waarbij de ritmesectie blijft hangen in een broeierig territorium en Wooley, Sinton en Moran elk kunnen soloren op het scherp van de snee, duidelijk geworteld in de jazz, maar met voortdurende knipogen naar een andere traditie.

Tijdens “Cecilia” gaat het er al even ontspannen aan toe, al zijn er ook een handvol kortere en (daardoor ook) meer toegankelijke composities, die variëren van springerig/hoekig (het aan z’n moeder opgedragen “Elsa”), over eerder ingetogen (“Erna”), tot erg hypnotiserend, zoals “Ethyl”, dat volgestouwd werd met tranceopwekkende technieken, van repetitieve vibrafoon- en basdrumaanslagen, tot eindeloos herhaalde basloopjes en vloeiende solo’s van Sinton en Wooley. Het zijn stukken die er ongetwijfeld makkelijk in gaan bij de liefhebbers van meer klassieke jazz, omdat Wooley en co. erg bedreven om weten te gaan met dosering. De prikkels zijn er, net als de nodige complexiteit, maar het leidt nergens tot epateren, laat staan provoceren. De muzikanten lijken zelf ook te genieten van zo’n tastbare muziek.

De grootste verdienste van (Put Your) Hands Together is dan ook dat het de vijf buiten hun omgeving laat horen zonder dat ze zich daar ook maar een seconde onwennig bij lijken te voelen. Het is meteen ook een gepaste repliek voor zij die beweren dat de pruttelman niet veel meer kan dan fout blazen op z’n krom stuk ijzer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − zestien =