SPOT Festival :: 27 – 28 mei 2011, Arhus

Het showcasefestival SPOT in het Deense Arhus presenteert jaarlijks de bands die in Scandinavië staan te drummen voor een plaats op het Europese podium. De voorgaande zestien edities bewezen al dat het kleine en dunbevolkte land beschikt over muzikaal talent met een kwantiteit, kwaliteit en diversiteit om jaloers op te zijn, en dat was dit jaar niet anders.

Met elf podia en meer dan honderd acts op twee dagen, is alles bekijken wat SPOT te bieden heeft op voorhand uitgesloten. Kiezen is weliswaar verliezen, maar gelukkig viel er ook heel wat te winnen op dit festival, waar geen artistieke vrijheid te groot is en geen niche te klein.

De zes kerels van Kiss Me Scarlett openden het Pickup podium, met feelgood rock-’n-roll, die recht uit de vrolijke sixties leek te komen. Terwijl het publiek nog aarzelend zocht wat de regenachtige namiddag te bieden had, speelde Kiss Me Scarlett een energieke set met zodanig veel falling in love en sunshine dat je er wel goedgemutst van moest worden. De songs zijn zeker niet origineel — de sound van The Kinks is steeds aanwezig — en te radiovriendelijk om met een rock-’n-rollattitude weg te komen, maar een aanstekelijke opener was het wel.

Ook in Denemarken probeert een omvangrijk peloton harmonische folkrockers in het spoor van bands als Fleet Foxes en Grizzly Bear te fietsen, met Let Me Play Your Guitar als een van de gangmakers. Het zestal met daarin twee broers deelde het podium met het Duitse duo Talking To Turtles. Aanvankelijk begeleidde Let Me Play Your Guitar heel voorzichtig de breekbare, akoestische folknummers van de twee Duitsers; na vier nummers kwamen hun eigen songs aan de beurt. In hun folkrock van het flinterdunne type hoor je hoe groepen als Noah And The Whale klonken in hun eerste repetitiekot, maar echt blijven hangen doet het allemaal niet. En dat deed het me-and-my-guitar-gehalte van Talking To Turtles wel.

De sfeervolle act van het Zweedse Thush:Owl probeert ergens tussen Portishead en Sigur Rós te zweven. De band draait rond zangeres Erika Angell, die met haar meeslepende engelenstem nog het meest aan Martha Wainwright doet denken. Gitarist Simon Angell verraadde zijn samenwerking met Patrick Watson, wanneer hij elk nummer van een fragiele intro naar een indrukwekkende climax voerde, terwijl de hele band zweverig en met de ogen gesloten stond mee te wiegen.

Net zoals je op een festival als SPOT fantastische acts kunt ontdekken, stel je soms vast dat het Deense publiek bands verafgoodt die ons op geen enkel moment echt overtuigen. De California-rock van 4 Guys From The Future bijvoorbeeld was flauw en bij momenten stuntelig, maar kon op erg veel lokaal enthousiasme rekenen. Ook de Deense orkestrale americana van Cody schepte hoge verwachtingen. Het thuispubliek had dit vooraf al tot een topconcert uitgeroepen, maar verder dan een brave act die door The Hazards Of Love van Decemberists geïnspireerd leek, kwam de groep niet.

Voor een ronduit indrukwekkende performance moest je bij Budam zijn. De mooie, pure songs van de man uit de Faeröer maken deel uit van een theatrale act die even bevreemdend als ontroerend is, en iedere aanwezige toeschouwer raakte. Met minimalistische gitaarakkoorden en een enorm krachtige stem maakte hij van zijn set een ware triomf. Ook de blues van Mugison was een regelrechte voltreffer. Als een IJslandse Seasick Steve bracht hij een semiakoestische combinatie van goed gitaarspel, een ruige stem en teksten die met humor vertellen over de tegenslag in het leven. Alles behalve vernieuwend dus, maar er waren weinig acts die op zo’n gemeend applaus konden rekenen.

De grootste guilty pleasure van de SPOT-tweedaagse was ongetwijfeld Vinnie Who. Deze jonge kerel met de hoge stem stond op het podium met de flair van een routinier en zijn zeskoppige band hielp de tent probleemloos op zijn kop te zetten. Het podium was één grote discobal, maar toch werd dit geen extravagante karikatuur. Vinnie Who was onweerstaanbare gay synth-disco, als een concert van The Bee Gees waarmee Tiga zich even komt moeien.

Op datzelfde podium bewees F.U.K.T. enkele uren later dat je geen interesse in drum-‘n-bass moet hebben om van een drum-’n-bass optreden te kunnen houden. Faut le faire. Door zo veel mogelijk beats en grooves uit instrumenten te slaan in plaats van ze uit knoppen en schuifjes te duwen, ontstond een broeierig en gespierd geheel. Dit trio leverde met hun drum-’n-bassrock één van de meest opwindende acts van deze editie af.

De Kopenhagense Rolf Hansen, op en rond een podium aan te spreken als Il Tempo Gigante, zag er wat uit als de broer van The Bony King Of Nowhere en Jeff Buckley, en gaat ook muzikaal die richting uit. In zijn eentje vormt hij stelselmatig een hele band, door zijn eigen vocals, gitaarakkoorden en percussie ter plekke op te nemen en wondermooi in elkaar te laten vloeien. Wanneer alle instrumentale laagjes één na één perfect op elkaar aansluiten, gaat hij met zichzelf een samenzang en/of dialoog aan, met een verbluffend resultaat. Het feit dat zijn songs op zich niet eens zo heel sterk zijn, belette niet dat het muisstille publiek hem na afloop met een overweldigende ovatie retourneerde.

Welk percentage van het publiek door haar foto in het programmaboekje werd aangetrokken weten we niet precies, maar een feit is dat de bloedmooie Marie Fisker haar publiek vanaf de eerste seconde in vervoering bracht. Met haar zwoele mix van countryblues en haast hypnotiserende rock zweefde deze Deense PJ Harvey voortdurend tussen ingetogen verdriet en vlijmscherpe uithalen. De nummers hingen aanvankelijk als een zacht gordijn over het podium, maar werden langzaam maar zeker een muur van stevige gitaren. Een absoluut hoogtepunt van dit SPOT 2011.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + 20 =