SPOT Festival :: 21-22 mei 2010, Arhus

Meer dan vorige jaren ontpopt het Deense SPOT-festival zich tot een showcasefestival voor alles wat in het hoge noorden muziek maakt. Het is dan ook geen toeval dat twee van de beste concerten op dit festival, dat vooral inlandse muziek wil promoten, van Noorse bands afkomstig waren. Maar toch: ook in Denemarken valt nog steeds wat goeds te rapen.

Hadden we twee jaar geleden nog het gevoel dat Denemarken nog ietwat te eenzijdig op een Duysterig spoor zat met groepen als Efterklang en Murder, dan viel dit jaar de grote muzikale verscheidenheid op. Van popgroep tot metalband, het hele spectrum werd gedekt. Maar daarom werkte het nog niet altijd even goed. Er waren van die net-niets waar we graag meer van hadden verwacht.

Soms zou je echt wel willen dat het werkt. Bij Little Yells Alot, bijvoorbeeld. De groep heeft alles om een goede, stevige rockgroep te zijn — frontman Jonas Lynge heeft een rauwe stem die wat bij Kurt Cobain aanleunt, de riffjes zijn er — maar op één of andere manier klikt de puzzel niet in elkaar. Er zijn, zo simpel is het soms, geen songs die de losse onderdelen verbinden. En ook van Scarlet Chives hadden we dolgraag willen houden, maar op Spot wilde het niet lukken. De groep brengt nochtans een aardige vorm van psychedelische rock op zijn Mercury Revs, maar zangeres Maria Mortensen loopt met haar aan Sharon den Adel van Within Temptation verwant stemgeluid en houterig gedans danig in de weg. Het zit goed met de songs, maar met deze poppige frontvrouw loopt het helaas fout in de afwerking.

Het plan van Falulah is ons iets te opzichtig, maar aan de reactie van het tienermeisjespubliek te zien werkt het wel: sla het grote Florence + The Machinehandboek open, plak er een pagina Balkan beats bij, en ga er van uit dat niemand het gebrek aan songs zal opmerken. Helaas.

En dan klopt het wel, plots. Het Noorse Pony The Pirate heeft zijn groepsnaam niet echt mee, zet het publiek met een wat atmosferische intro nog even op het verkeerde spoor, maar kiest daarna resoluut voor de stormloop-op-zijn-Arcade-Fires. Het Noorse School Is Cool, dus? Het enthousiasme hebben ze in elk geval, en met “Walk The Shame” en “Sing” heeft de groep een paar overrompelende songs in de hand. Het achttal stapelt vrolijk piano op trompetje, dwarsfluit, gitaren en drums, en hamert daardoor af en toe wel eens iets te hard door. Een rustpunt wordt ons niet gegund, en dat was soms welkom geweest bij de zoveelste samenzang over een stampend ritme. Maar laat dat kinderziektes zijn: hier zit meer in, en dat willen we graag horen.

In 2008 zagen we Blue Foundation in de grote zaal van het Musikhuset nog indruk maken, op SPOT 2010 staat gitarist Tobias Wilner er met Ghost Society. Deze groep moet het minder van de link met triphop hebben, maar grossiert in sfeervolle droompop. Goed, zangeres Sara Savery heeft een stem die haar beperkingen kent, maar Wilner vangt dat goed op met veel ondersteuning. Het debuut van Ghost Society, The Back Of His Hands, Then The Palms overtuigt alvast.

Alweer Noors, en een schot in de roos: Maribel. De gitaarwolken zijn die van Slowdive, de poses van gitarist die van My Bloody Valentine, en het dromerige van Spacemen 3. Met die elementen slaagt de groep er in om een concert te brengen dat af is. Goed, niet elk nummer is van de hoogste kwaliteit, maar als geheel klopt het plaatje verschrikkelijk goed, en uitschieters als “Taste The Trash” (even komt het geluidsterrorisme van Kevin Shields erg dichtbij) en “Ecstatic” zorgen ruimschoots voor compensatie. Een groep die wel eens naar het zuiden mag afzakken.

The Foreign Resort bevindt zich op het ondertussen platgetreden pas van de Joy Divisionnavolgers, maar heeft de les begrepen die Dead Souls de Belgische bevolking een drietal jaar terug al leerden: de band rond Ian Curtis was géén doemband, maar een vuile, smerige, rauwe punkband die toevallig een beetje donkerder klonk dan The Stooges. En zo speelt The Foreign Resort: zonder ook maar één gram charisma, maar des te strakker en snediger, met de juiste soort baslijnen en gitaren om de boel zonder hapering te laten voortrazen. Opwindend? Toch wel een beetje.

Herinnert u zich nog al die boze vrouwen uit het begin van de jaren negentig? Courtney Love? Babes In Toyland? Ze zijn terug, maar deze keer werd de trashy look ingeruild voor alleraardigste kleedjes, en een eerste blik op de meisjes van Darling Don’t Dance doet dan ook lievige Architecture In Helsinkipop verwachten. Niets daarvan, echter. Deze groep kiest voor vuile riffjes, diepe rommelende baslijnen en nijdige zang. Even zijn de grungejaren terug, en dat is goed zo.

Chimes & Bells is weer zo’n groep die zweert bij de wazigheid van de nachtelijke uren en strenge winters. Celliste en zangeres Cæcilie Trier kennen we ook van Choir Of Young Believers, maar kiest met deze band voor een voller, meer aan shoegaze refererend geluid. “Stand Still” bezweert zeven minuten lang over een drone die aan Velvet Underground doet denken, en ook elders is de traagheid geen aanleiding tot verveling. Er zijn verbanden te leggen met wat Beach House doet, maar ook met de meer donkere kanten van de eighties.

Pop, en dan van de indiesoort, krijgen we met Kiss Kiss Kiss. Op plaat horen we meer elektronische effecten, maar live overheerst een ritmisch punkgeluid dat meermaals aan The Clash en Gang Of Four doet denken, gebracht door een conglomeraat van Arctic Monkeys en LCD Soundsystem. Zo denken ook de tienermeisjes in het publiek er over, want het enthousiasme voor deze jongelingen is groot. Terecht: wie op zijn achttiende al zo ver staat, is nog niet klaar.

De laatste verrassing van het festival vinden we helemaal op het einde, op het kleinste podium van het festival. In een hoekje van het Ridehuset speelt Supershine immers alsof het minstens het voorprogramma van U2 mag spelen ergens op dat groteske spinnenpodium. “I Can Do Anything” schreeuwt de groep het uit op een eerste titelloze EP, en dat straalt Supershine ook live uit. Tijdens het slotnummer van de show wordt zelfs een schot confetti gelost, zoals alleen de echt groten dat zich kunnen permitteren, maar dan minder bescheiden. Het getuigt van aandoenlijk veel ambitie, maar de wijds galmende songs — beetje Coldplay, beetje Editors — rechtvaardigen dat geloof in eigen kunnen zeker voor een groot deel. Als deze band ooit de grenzen oversteekt zal het niet zijn om genoegen te nemen met een klein optreden in de AB-club.

Hoe groter SPOT wordt, hoe harder het zoeken wordt naar een speld in de enthousiasmehooiberg. Wie doorbijt, soms iets langer blijft plakken dan gezond is en ook de laatste bands meepikt, kan echter soms op verrassingen stuiten. Neen, een mens heeft niet per sé nood aan zes nieuwe Deense bands en nog eens twee Noorse, maar als die goed zijn, zijn die net zo goed welkom. Deens, Noors, of niet, de essentie is: dit is goede muziek. Het is maar dat u het weet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 4 =