Hall Pass




Les extrêmes se touchent, zeggen de Fransozen en we
kunnen hen geen ongelijk geven. Neem nu de late jaren dertig,
vroege jaren veertig: terwijl der kleine Schnauzer op het
politieke schouwtoneel onfrisse taferelen regisseerde, werd er in
de theaters gelachen als nooit tevoren. Het waren de hoogdagen van
de screwball comedy, kwieke komedies waarin mannen en
vrouwen elkaar aan een erg hoog tempo verbaal te lijf gingen. De
geschiedschrijving heeft Cary Grant gebombardeerd tot uithangbord
van het genre, maar in werkelijkheid werden films als ‘The Awful
Truth’, ‘Bringing Up Baby’ en ‘His Gril Friday’ gedragen door hun
female leads Irine Dunne, Katherine Hepburn en Rosalind
Russell. Zelf dwepen wij absolúút niet met Kristien Hemmerechts en
haar feministische pamflet ‘De Man, zijn Penis en het Mes’, maar je
kan er moeilijk omheen dat het tegenwoordig lang zoeken is naar
komische vrouwenrollen met zoveel vlees. In ‘Hall Pass’ is dat niet
anders: Jenna Fischer en Christina Applegate zijn er enkel om de
personages van Owen Wilson en Jason Sudeikis uit te diepen, Nicky
Whelan om haar tetten te tonen en Carly Craig om een muur vol te
schijten. Jawel, om een muur vol te schijten.

In de jongste van de gebroeders Farrelly speelt Wilson de
kleurloze Rick, een goeiige vader van twee. Al bij al vindt hij
zijn leven wel ça va: met Maggie (Fischer) heeft hij een
vrouw beet die eigenlijk way out of his league
is, zijn gebroed stelt het prima en ook op professioneel vlak loopt
alles naar wens. Alleen zijn seksleven zit wat in het slop en dat
zorgt toch voor enige spanning, temeer omdat Ricks vriend Fred
(Sudeikis) – op zijn beurt gehuwd met Grace (Applegate) – er van
overtuigd is dat er nog altijd bossen pronte bloemetjes rondlopen
die maar wat graag door hen geplukt willen worden. De
buddies lullen dan ook een eind weg over hun fantasieën,
plat gezwam dat hun echtgenotes na een tijdje de keel gaat
uithangen. Zij geven hun venten daarom een hall pass, een
vrijbrief die hun huwelijk een week opschort en hen toelaat hun
natste dromen na te jagen zonder dat daar achteraf hommeles van
komt. Maggie en Grace gaan ervan uit dat hun hubbies zo
zullen inzien dat ze geen womanizers meer zijn, Rick en
Fred van hun kant zijn vastbesloten de kelk tijdens die zeven dagen
tot op de bodem te ledigen. Benieuwd wie na goed honderd minuten
aan het langste eind zal trekken? Eén ding is zeker: het is níet
Carly Craig.

In het universum van de Farrelly’s zegt dat uiteraard niet zo
veel, maar ‘Hall Pass’ is met voorsprong hun meest volwassen film.
Misschien hadden Bobby en Peter door dat ze het succes van ‘There’s
Something About Mary’ toch niet meer zouden evenaren, of misschien
waren ze gewoon toe aan een nieuwe uitdaging, maar vast staat dat
ze hier voor de verandering niet al hun geld hebben ingezet op
cheap laughs. Het scenario is van Pete Jones, die in 2002
de kans kreeg zijn debuutscript ‘Stolen Summer’ zelf te regisseren
nadat hij ‘Project Greenlight’ had gewonnen, een door Matt Damon,
Ben Affleck en HBO gefinancierde schrijfwedstrijd. Het resultaat
was een niet helemaal geslaagd, ingetogen drama over de vriendschap
tussen een katholiek jongetje en een terminaal zieke, joodse knul.
Op zich heeft dat verhaal niets met ‘Hall Pass’ te maken, maar het
geeft wel aan dat Jones’ verhalen op echte emoties zijn geënt en
dat de keuze voor zijn tekst zeker niet evident was voor de
meesters van de gross-out comedy.

Het risico heeft geloond, want in tegenstelling tot scharminkels
als ‘Shallow Hal’, ‘Stuck on You’ en ‘The Heartbreak Kid’ bevat
‘Hall Pass’ een handvol oprechte personages, een stuk of wat
eerlijke emoties en zelfs een snuifje intelligente humor. Het
relaas van de vierde dag van Ricks feestweek, bijvoorbeeld, is in
al zijn eenvoud erg geestig. Het is dan ook zeer jammer dat de
Farrelly’s hun publiek na een tijdje serieus beginnen te
onderschatten en denken dat de film nood heeft aan kak en pis om te
blijven boeien. Door die goedkope ingrepen verliest ‘Hall Pass’
veel van zijn oorspronkelijke charme en verglijdt wat een erg fijne
zedenkomedie had kunnen worden in een oerconservatief, moraliserend
studioproduct. Zo bekeken is ‘Hall Pass’ eigenlijk een anti-‘The
Ten Commandments’: waar Cecil B. DeMille zijn behoudsgezinde moraal
in 1923 op een ironische manier inzette om de ethische regelneverij
van de Hays Code te kakken te zetten, halen de Farrelly’s met hun
voorbijgestreefde boodschap over het huwelijk niet het
establishment, maar wel hun eigen film onderuit.

Met een visuele stijl die op geen enkel moment de aandacht van
de actie afleidt, blijft ‘Hall Pass’ ook op vormelijk vlak nogal
braafjes. Het tempo ligt wel continu tamelijk hoog, wat er samen
met een zeer genietbare soundtrack vol klassieke (The Beach Boys,
Dusty Springfield) en recente (Empire of the Sun, Snow Patrol)
popsongs voor zorgt dat de film nooit echt gaat vervelen. Owen
Wilson is bovendien verassend likeable als de op zich
weinig aantrekkelijke Rick en ook Jason Sudeikis weet zijn soms
gevatte, maar meestal ordinaire lappen tekst met een zekere flair
te brengen. Ster van de cast is evenwel de Brit Stephen Merchant
(bij ons vooral bekend als The Oggmonster uit ‘The Office’ en
Darren Lamb uit ‘Extras’), die met een geinigheidje over Björk en
een toegevoegde scène na de aftiteling – blijven kijken, dus –
instaat voor twee van de leukste momenten van de hele film.

Is ‘Hall Pass’ een goede komedie? Niet echt: daarvoor is de
regie van de Farrelly’s niet origineel genoeg, blijft hun
scatologische humor te vrijblijvend en hakt hun christelijke moraal
te hard in op het algehele kijkplezier. Tussen al die lulkoek bevat
de film echter ook subtiele grappen en authentieke gevoelens, zodat
‘Hall Pass’ je aandacht toch tot het eind weet vast te houden. En
wie dat wil, kan onderweg zelfs enkele prima pick-up lines
scoren. Want You must be from Ireland, ’cause when I look at
you, my penis is Dublin
, dat is iets waar ook wij dames enkel amen op kunnen
zeggen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − 4 =