Source Code




Deze tijd moet toch serieus fucked up zijn, dat zelfs
blockbusters zich tegenwoordig verplicht voelen existentiële
twijfels aan te kaarten. Het begon allemaal met ‘Inception’, de
film die onze perceptie van de werkelijkheid in twaalvendertig
zijnsniveaus een beentje lichtte. In het kielzog van Nolans
tour de force volgde een hele batterij big
budget,
meestal hightech sciencefictionfilms, waarin
gelijkaardige zijnskwesties werden geventileerd. Deze maand alleen
al had je zo bijvoorbeeld ‘The Adjustment Bureau’ en ‘Limitless’:
beide films strooiden kwistig met miljoenen en pakten uit met een
sterrencast (Matt Damon, Emily Blunt, Bradley Cooper, Robert De
Niro), maar filosofeerden en passant ook ‘n end weg over
de vraag in hoeverre we de realiteit echt kunnen kennen. En nu is
er dus ‘Source Code’, ook al zo’n breinprikkelende smash
hit
: dankzij het succes van ‘Moon’ sprokkelde Duncan Jones
voor zijn tweede feature zes keer zoveel kluiten als voor zijn
eerste, iets wat hem er niet van weerhield onderwerpen aan te
snijden die even gewichtig zijn als die van dat verrassende debuut.
‘Source Code’ is dan ook een gelaagde film geworden, die snijdende
actie combineert met een scheut oprechte emotie en grote
levensvragen. Heavy shit dus, maar ook very
entertaining.

Het verhaal van de film volledig uit de doeken doen, is even
ongepast als onmogelijk: hoe meer je er over nadenkt, hoe
duidelijker het wordt dat scenarist Ben Ripley in ‘Source Code’
iets opmerkelijks heeft gepresteerd. Hij goochelt hier met een
handjevol plotlijnen die stuk voor stuk autonoom zouden kunnen
bestaan, maar elkaar toch voortdurend raken en ook, hoe zeg je dat,
verticaal ondersteunen. Daarmee bedoel ik dat de plot van
‘Source Code’ niet zozeer in de breedte uitwaaiert, maar vooral in
de diepte. Zo bevat de film behalve een rechttoe rechtaan
actieverhaal en een naïeve liefdeshistorie ook een metafysische
betekenislaag, die op een organische manier uit die oppervlakkige
vertelsels voortvloeit. Ripley stouwt met andere woorden emmers
inhoud in anderhalf uur cinema zonder dat het ooit overdreven
aanvoelt, een val waarin het blufferige ‘Inception’, geef nou maar
toe, wel met z’n beide poten is getrapt. We kunnen dan ook niet
anders dan vaststellen dat de filmwereld er met Ripley een
schrijver van formaat bij heeft – yep, dit is zijn debuut
– en dat het welslagen van ‘Source Code’ niet in het minst aan hem
te danken is.

Voor wie nu zit te fronsen alsof hij net een alinea uit
‘Ullyses’ heeft gelezen, toch maar wat harde feiten over het
verhaal. In ‘t kort: wetenschappers hebben de geest van Colter
Stevens (cutie pie Jack Gyllenhaal) overgeheveld naar het
lichaam van ene Sean Fentress (Frédérick de Grandpré), die is
omgekomen bij een explosie op een trein. Omdat Seans brein de
laatste acht minuten van zijn leven op zijn harde schijf heeft
opgeslagen, kan Colter -gezegend met, jawel, overactieve synapsen –
die tijdspanne in een soort parallel universum zo vaak als nodig
herbeleven. Op die manier gaat hij op zoek naar de bommenlegger en
probeert hij de volgende aanslag van die schavuit te verijdelen.
Clever is vooral dat ook Colter zelf lang in het ongewisse blijft
over wat er precies met hem aan de hand is, wat de film een erg
persoonlijke touch geeft. De man gaat immers in de eerste
plaats op zoek naar zichzelf, waardoor je nauwer bij zijn verhaal
betrokken geraakt. Daarnaast zorgt die ingreep ook voor meer
inhoudelijke diepgang. Colter is zodanig van zijn à propos door de
hele situatie dat hij de schijnrealiteit begint uit te dagen, zich
hardop gaat afvragen of alles daar wel zo fake is als het
lijkt en wil uitvissen in hoeverre zijn daden de voorbeschikte gang
van zaken kunnen beïnvloeden.

Thematisch sluit ‘Source Code’ dus niet echt aan bij ‘Inception’
– de laatste tijd blijkbaar dé referentie voor elke film met iets
wat naar hersenen neigt – maar eerder bij ‘La Jetée’, ‘Twelve
Monkeys’ en ‘Groundhog Day’. Met die laatste prent deelt ‘Source
Code’ overigens ook zijn cyclische structuur: beide films herhalen
een bepaald tijdsbestek (in ‘Groundhog Day’ is dat een hele dag, in
‘Source Code’ zijn het die schamele acht minuten) om na te gaan of
de mens het leven al dan niet naar zijn hand kan zetten. Dat
repetitieve patroon verveelt hier niet, vooral door de vlotte
montage van die terugkerende treinsequentie. De ernstigere fond van
‘Source Code’ wordt dan ook vooral gelegd tussen die actie-gedreven
uitstapjes naar limbo: trage, statische scènes gunnen de
protagonist en het publiek daar de tijd om te tobben over het hoe
en waarom van zijn bestaan. Die emotionele band met de kijker wordt
trouwens ook in de snellere stukken niet opgeblazen, maar nog
versterkt door een camera die de karakters erg dicht op de huid zit
en een superbe Jake Gyllenhaal die er zelfs tijdens die ene seconde
voor hij ontploft elke keer in slaagt een stuk of vijf emoties te
doorlopen. En dat alleen maar met nuances in zijn dromerige
puppyogen, we hebben het Robert Pattinson en Taylor Lautner nog
niet zien doen. Enfin, eigenlijk komt het er gewoon op
neer dat alle partijen (scenarist, regisseur, cinematograaf,
acteurs) in ‘Source Code’ aan hetzelfde zeel trekken en zo iets
maken dat op alle vlakken klópt. Een Gesamtkunstwerk,
feitelijk.

En toch zijn er een aantal dingen die er voor zorgen dat ‘Source
Code’ niet de instant klassieker is die hij had kunnen zijn. Zo is
er bijvoorbeeld een totaal overbodige nevenplot over de relatie
tussen Colter en zijn vader. De verhaallijn wordt nergens genoeg
uitgewerkt om echt iets aan de film toe te voegen en lijkt er dan
ook alleen maar bijgelapt om vlug wat extra tranen te trekken. Een
pak erger nog is de irrelevante en irritante epiloog die als een
jammerlijke schaduw over heel ‘Source Code’ hangt. Om de een of
andere reden voelden de makers de drang het publiek met een
zeemzoeterig postscriptum te troosten, iets waarvoor ze zich in
zodanig veel bochten moeten wringen dat ze uiteindelijk afbreuk
doen aan al dat schoons dat eraan voorafging. In dat kleffe nawoord
worden bovendien een aantal suggestieve verhaalelementen te
expliciet gemaakt, waardoor een deel van de film z’n intelligentie
wegsmelt. Nochtans wordt zo’n twintig minuten voor affluiten al
eens een prachtig freeze frame ingelast, iets waarvan we
sinds ‘Les Quatre Cent Coups’ weten dat het prima werkt als ambigu
curtain shot.

Zelfs met die spijtige slotrede blijft ‘Source Code’ echter een
prima film, zo eentje die een breed publiek kan entertainen en
tegelijk zware thema’s durft aan te raken. Eens de zure oprisping
van het kleffe nawoord is doorgespoeld, kan je dan ook alleen maar
goeie conclusies trekken uit het hele ding. Eén: Zowie Bowie
beschikt over een serieuze portie talent en guts. Twee:
Jake Gyllenhaal laat nog eens zien dat hij niet alleen esthetisch
maar ook artistiek verantwoord is. Drie: Ben Ripley. Let op het
rijm.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf − 2 =