Bright Eyes :: 21 februari 2011, Paradiso (Amsterdam)

Vier jaar lang hield Conor Oberst de groepsnaam Bright Eyes in de kast, maar met The People’s Key verscheen eerder deze maand dan toch de langverwachte opvolger voor Cassadaga. Een voltreffer is die hardere en elektronischere plaat niet, maar in de Amsterdamse Paradiso hield de Amerikaan toch koppig die nieuwe muzikale richting aan.

Zes jaar geleden stelde Oberst de release van een country-album uit omdat hij eerst ook een elektronische plaat wilde opnemen. Beide verschenen op dezelfde dag, maar het was de meer traditionele kant die uiteindelijk  won: I’m Wide Awake, It’s Morning werd een instant-klassieker en opvolger Cassadaga ging verder op die ingeslagen weg. Na twee soloplaten die helemaal die rootskant verkenden, wendt Oberst zijn blik vandaag echter opnieuw naar dat Digital Ash In A Digital Urn en met het onlangs verschenen The People’s Key zoekt hij opnieuw stevigere horizonten op.

Dat vertaalde zich op de planken van de Paradiso in een set die die de twee voorgaande albums zo goed als links liet liggen. Moedig, maar geen evidente keuze: niet voor een publiek dat liever bekender vreten op zijn bord krijgt, maar ook niet voor Oberst die het beste moet proberen te maken van niet altijd even sterk songmateriaal.

Al valt er aanvankelijk weinig af te dingen op een set die na een sfeervol begin met de gesproken intro van op plaat en het daaropvolgende “Firewall”, meteen een daverend “Jejune Star” laat knallen. Daarmee is meteen alle twijfel van tafel geveegd: het nieuwe Bright Eyes rockt bij momenten stevig. Oberst scheurt gretig het refrein in, en ook in “Take It Easy, Love Nothing” wordt potig gespeeld. Misschien wordt er zelfs een tikje té veel gebeukt: die snijdende nieuwe gitaarlijn overheerst net iets te veel. Het furieuze “Four Winds” kan al die power dan weer wel hebben: altijd een genot om Oberst nog eens goed kwaad te zien.

Met zijn zeskoppige band bouwt Oberst dan ook een geluidsmuur om u tegen te zeggen: twee drumstellen zorgen voor ratelende percussie, twee toetsenisten en soms een trompet plamuren alle gaten vol die de twee gitaren en bas nog zouden laten vallen. Het zorgt voor een vol geluid dat weinig ruimte voor roots laat.

Het is boeiend om te zien hoe Oberst de meest recente geschiedenis probeert weg te krassen. Dat doet hij door niet alleen terug te grijpen naar Digital Ash, maar ook verder in zijn verleden te graven. “Dit is er eentje van zestien jaar geleden”, rakelt hij “Fallling Out Of Love At This Volume” van op debuut Songs Written And Recorded 1995-1998 op. Het toont een prille songsmid die aan drie akkoorden en een woelige binnenkant genoeg had om al te begeesteren. Even later mag het bijna even oude “Padraic My Prince” van stal. Het verleden is er om omarmd te worden, al kan er ook wat cynisme van af. “Deze vonden jullie ongetwijfeld niet zo leuk”, klinkt het na “A Machine Spiritual (In the People’s Key)” — dat na een sterk begin inderdaad in dezelfde warrigheid als op plaat verdwijnt — “deze zeker wel – recht uit een schoendoos op zolder”. Krijgen we: een sterk “Something Vague” dat laat zien hoe Oberst al lang het hart op de tong draagt, en een emotionele uithaal nooit schuwde.

Niet meer dan drie nummers worden opgerakeld van op Digital Ash, en toch tekenen ze mee de set. Omdat ze naadloos aansluiten bij dat nieuwe groepsgeluid, het mee tot stand lieten komen. Sleutelnummer is ongetwijfeld “Gold Mine Gutted”, een zwaar aangezet, lang gerekt nummer dat de bissen op gang mag trekken. Dat “Lover I Don’t Have To Love” volgt, mag geen toeval heten. Toen Bright Eyes vijf jaar geleden die digitale plaat op Dour voorstelde, was ook dat één van de weinige oudjes die de brug tussen heden en verleden kon werpen. Het speelt met zijn geloopt lijkende piano zijn rol vandaag opnieuw uitstekend, zo net voor afsluiter “One For You, One For Me”.

Dat Oberst een zoekende ziel blijft, zal niemand die de teksten op The People’s Key heeft gelezen ontgaan. Dat is boeiend, maar dat moet ook muzikaal af en toe vruchten afwerpen. Een U-bocht kan lonen, zoals U2 en Radiohead halverwege hun carrière aantoonden, maar dan moet je wel met je sterkste werk uitpakken. Als je dat niet kunt, dan blijft — zoals vanavond — het beeld van een eeuwige twijfelaar hangen: af en toe knal er op, maar net zo goed regelmatig zichzelf verliezend in oeverloos gepieker. En dat zet geen zoden aan de dijk.

Bright Eyes staat deze zomer op Werchter.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 8 =