Wooden Wand :: Death Seat

Het zat James Jackson Toth de laatste jaren niet echt mee. Na jarenlang onder varianten op de naam Wooden Wand en vaak met eega Jessica “Vanishing Voice” Toth — tegenwoordig beter bekend van Jex Toth– opgetreden te hebben, bracht hij in 2008 onder eigen naam de LP Waiting in Vain uit op Rykodisc. De gemengde kritieken en zwakke verkoop beëindigden het avontuur echter voor het goed en wel begonnen was.

Ook de twee daaropvolgende albums, Hard Knox (een verzameling demo’s) en Born Bad — beiden in 2009 uitgebracht onder de naam Wand — konden op weinig enthousiasme rekenen. Met Death Seat bewijst Toth echter dat hij wel degelijk folk/americana-songs kan schrijven zonder daarbij verloren te lopen in identiteitsloze hommages. Net als bij Second Attention zijn verwijzingen naar grootheden als Bob Dylan en Townes Van Zandt nooit ver te zoeken, maar net zo goed kan en mag gesteld worden dat met Death Seat Toth opnieuw zijn eigen stem binnen een traditie gevonden heeft.

Het album plaatst Toths wat nasale stem centraal terwijl de achtergrondzangers, zoals het ook hoort, netjes op de achtergrond blijven. Zelfs muzikaal valt er ondanks een indrukwekkende schare (gast)muzikanten van Glossary, Lambchop, Silver Jews, Mercury Rev en Fire on Fire/Big Blood nauwelijks iets meer te horen dan een akoestische gitaar. Na het knappe “Sleepwalking After Midnight” dient met “The Mountain”zich bovendien al een eerste hoogtepunt aan. Meer nog dan het eerste nummer valt hier op hoezeer Toth zichzelf als unieke folkartiest weet te presenteren zonder daarbij de rijke geschiedenis van het genre oneer aan te doen.

“Servant To Blues” weet beter dan zijn voorganger te imiteren en kiest dan ook voor een trage bluesrockaanpak waarbij een scheurende elektrische gitaar als enige uit de band mag springen terwijl de rest van de song zichzelf voortsleept. Met het opgewektere “Bobby” volgt een nieuw contrast, ditmaal walst de elektrische gitaar de song binnen en buiten terwijl Toth zich steeds meer als een grootsteedse troubadour ontpopt. Dat zelfs het daaropvolgende introverte folknummer “I Made You” niet voor een stijlbreuk zorgt, bevestigt hoezeer de plaat om Toth zelf draait.

Of het nu om het titelnummer — traag voortbewegende americana — gaat of in zichzelf gekeerde tex-mex, zoals te horen valt op “Ms Mowse”; steevast weet Toth het nummer met de andere songs op de plaat te verbinden opdat het album een lappendeken zou vormen van in elkaar hakende songs. Dat hij hierbij een enkele keer een kleine uitschuiver maakte zoals in het nogal sterk naar Dylan neigende “Until Wrong Looks Right”, mag dan ook over het hoofd gezien worden. Per slot van rekening dient “Hotel Bar”, eentje die zo uit de lade van Lee Hazlewood had kunnen komen, zich snel genoeg aan.

Even lijkt het toch nog mis te gaan met het wat overbodige “The Arc”, een goedgeluimde song die dankzij zijn zwaarmoedige ondertoon uitnodigt tot een melancholisch drinkgelag maar gelukkig ook snel baan ruimt voor “Tiny Confessions”. De dromerige reflectie weet net als “The Mountain” in die mate te beklijven — terwijl het van opzet een heel ander nummer is — dat hij zonder meer mee de plaat domineert en de andere songs overschaduwt. Met niet veel meer dan een akoestische gitaar en nasale zang (er is een tweede, helderdere stem) wordt een nieuwe wereld opgeroepen.

Death Seat is de plaat die Waiting In Vain had moeten worden maar het niet waarmaakte. Het is een mix van verwante stijlen die zich tussen americana, folk en country in bevinden, en die perfect afgewogen zijn. Vier jaar na Second Attention laat Toth opnieuw horen dat Wooden Wand meer is dan avant gardisch freakfolkgebeuren. Met Death Seat behoort Wooden Wand eindelijk het publiek te vinden waar hij al enkele jaren op wacht.

Wooden Wand speelt op 6 februari in de AB met onder meer Kiss The Anus Of A Black Cat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven + 18 =