The Walkmen :: Lisbon

In de Verenigde Staten halen The Walkmen de ene lovende recensie na de andere binnen en wordt er luidop gehoopt dat ze net zoals The National de Grote Doorbraak zullen kunnen realiseren. Dat dat met Lisbon zal lukken is echter erg twijfelachtig.

Het is even opvallend als onbegrijpelijk dat er in recensies van Lisbon voortdurend verwezen wordt naar The National, want terwijl The National op High Violet meesterlijk de spanning doseert en opbouwt, ontbreekt het The Walkmen daarvoor aan geduld en zelfbeheersing. Bij The Walkmen is er geen middle ground: of de beuk erin, of alles inhouden, en als de vaart eruit wordt gehaald, loopt het grondig fout.

“Blue As Your Blood” mag aanvankelijk met behulp van strijkers nog prachtig open bloeien, maar wordt dan halverwege finaal aan flarden gescheurd door drums en gitaren. Die drums komen ook op “Follow The Leader” de boel verzieken. Van achter een gesloten deur op het einde van de gang roffelen ze dof een vaag ritme, alsof de tape te vaak in de soep is gedraaid en nu helemaal verkloot is. Ondertussen staat de gitaar vlak voor onze neus veel te luid te ratelen en probeert de zang er krampachtig bovenuit te komen. Op “Torch Song” wordt alles dan weer zo ver naar de achtergrond gemixt dat er uiteindelijk niks meer overblijft dat zich in het oor van de luisteraar zou kunnen vasthaken. Geen kat die zal doorhebben dat The Walkmen zich hier aan doo-wop waagt.

Nochtans begint Lisbon onder een redelijk goed gesternte. Met de reverb van een op hol geslagen Fender-versterker op tien rammelen “Juveniles” en “Angela Surf City” een eind weg en combineert zanger Hamilton Leithauser een Peter Doherty-achtige nonchalance met een schuurstem zoals Rod Stewart die als hippe jonge hond ooit had. Maar op de trage nummers gaat die nonchalance nogal zeurderig klinken en lijkt het net alsof hij met een verstopte neus en met een pint te veel op achter de micro is gekropen.

Eenzaam hoogtepunt van Lisbon is “Stranded”, waar een mariachiband met een treurmars het nummer binnenwandelt. Een bizarre zet voor een groep die verrees uit de assen van Jonathan Fire Eater, een New Yorkse band waardoor The Strokes zich lieten inspireren, maar het werkt wonderwel. Elders blijft de jengelende gitaar van Paul Maroon de boventoon voeren en gaat die danig op de zenuwen werken.

Halverwege probeert “Woe Is Me” de meubelen nog te redden, maar het is too little too late. Met “Torch Song”, “While I Shovel The Snow” en “Lisbon” sleept de plaat zich tergend traag naar het einde. Alsof men niet het fatsoen heeft om luidop te zeggen: “Sorry mensen, wij hebben er geen zin meer in, maar de platenfirma had graag een album van 45 minuten, dus doen we dat maar.”

The National is momenteel zo hip dat iedereen The National wil zijn, maar de titel van troonpretendent is The Walkmen nog lang niet waardig. Als Leithauser zingt “Victory, victory should be mine” kunnen we dan ook alleen maar meewarrig met ons hoofd schudden: “Doe dan verdomme ook iets om die te verdienen”.

The Walkmen speelt op 18 november in Trix

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − vier =