Tim Robbins And The Rogues Gallery Band :: Tim Robbins And The Rogues Gallery Band

Robbins is niet de eerste Hollywoodpersoonlijkheid die zich aan rootsmuziek waagt (zie ook: Kevin Costner en Kevin Bacon) en hij zal vast ook niet de laatste zijn. Het is bovendien niet de eerste keer dat Robbins met muziek te maken heeft, al bewijst dat ook niet meteen dat het een garantie is voor een eclatant succes, want ’s mans debuut blijft hangen rond de frustrerende middelmaat.

Hij maakte bijna twee decennia geleden al een satire over een musicerende politicus (Bob Roberts), was nauw betrokken bij het tot stand komen van de soundtrack voor z’n film Dead Man Walking, en speelde al heel wat concerten met z’n broer David. Toch zou het duren tot z’n vijftigste voor de gelauwerde acteur en filmmaker pas écht uit de schaduw zou treden met z’n muzikale project. Op papier ziet het er alleszins naar uit dat kosten noch moeite gespaard werden om resultaat te bereiken. Er werd samengewerkt met de legendarische producer Hal Willner en het rijtje ingehuurde muzikanten — met o.m. opvallende figuren als drummer Andrew Newmark, gitarist Leo Abrahams en multi-instrumentalisten als Roger Eno en Kate St. John — oogt vrij indrukwekkend.

Het zorgt voor een gestroomlijnde productie en songs die soms kunnen uitpakken met een haast voluptueus instrumentarium, want bovenop de klassieke geluiden vallen hier ook harmonium, dobro, viool, accordeon, bugel, mandoline, hurdy gury en zelfs zingende zaag te horen. Het is een barokke, kleurrijke geluidenwereld, gespeeld door topmuzikanten die zich volledige ten dienste stellen van de songs. En laat het net daar wat moeilijker verlopen. Het is niet zo dat Robbins het zich makkelijk gemaakt heeft door de blauwdruk van moderne folk of country boven te halen en die om te zetten in bandwerk. Het alternatief is echter niet echt beter.

Bovenal heeft Robbins vooral een talent om nogal drammerige songs te maken. Dat kan te maken hebben met al te gezwollen of te simplistische ideeën (dat oneindig gerokken refrein van "In Dreams"), maar ook door z’n beperkte zangkwaliteiten, die ergens het midden houden tussen het gemompel van Kurt Wagner en de half gesproken, half gezongen aanpak van een Sid Griffin. Daardoor krijg je met opener "Book Of Josie" meteen al een portret voorgeschoteld dat doet denken aan de verhalende folk van Tom Russell, maar zelden kan overtuigen met diens autoriteit. Dat hij bijna vijftig minuten nodig heeft voor amper negen songs spreekt bovendien voor zich. Robbins had wat vaker tot op het bot mogen gaan zonder al die ballast.

Een opvallende aanwezige is Joan Wasser, al zorgt ze hier enkel voor backing vocals die doorgaans niet erg opvallen, zoals in het koortsige "Toledo" (een van de hoogtepunten) of de ballade "Moment In The Sun" (Robbins op z’n meligst). Het best werkt dit album nog in de songs die afwijken van de veilige, softe rootskoers: "Time To Kill" is een degelijke slideblues, "You’re My Dare" doet ondanks z’n slepende karakter wat denken aan Springsteens Seegerproject en "Queen Of Dreams" probeert een verbond te sluiten tussen Poguesfolk en Tex-Mex.

De plaat klinkt mooi en er wordt voortreffelijk op gemusiceerd, maar het songmateriaal is zelden écht beklijvend en de vocale prestatie van Robbins is middelmatig, terwijl de stem ook het ’karakter’ ontbeert die dergelijke tekortkomingen zou doen vergeten. Een aardige poging, maar weinig meer dan dat, en dat zal niet volstaan in de wereld van de rootsmuziek, waar wekelijks een dozijn platen verschijnen die dit niveau moeiteloos overklassen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + vier =