Sheryl Crow :: 100 Miles From Memphis

Hoe zou het zijn met Sheryl Crow? Het is een vraag die u zich de laatste jaren ongetwijfeld niet heeft gesteld. Nochtans is het antwoord boeiender dan u zult verwachten. Mede dankzij een nieuwe, verrassende plaat.

Bovendien is het een vraag die de in Europa weggedeemsterde Crow nog vaak en graag gesteld wordt in de typische, als door tandpasta en haarlak gesponsorde, talkshows in Amerika. Crow heeft immers bewogen jaren achter de rug, zij het dan niet muzikaal. Verloofd met Lance Armstrong in 2004, vlak voor hun huwelijk uit elkaar gegaan, waarna haast aansluitend borstkanker bij haar werd vastgesteld. Nadien adopteerde ze (mede uit ventengebrek) een zoontje, was ze samen met Springsteen Obama’s ferventste campaigner én een van de grote groene klimaatridders in Amerika. Dat laatste met wisselend succes: haar pleidooi voor het zuinig omgaan met toiletgebruik had een South Park-parodie kunnen zijn.

Toch mondde het twee jaar geleden uit in haar beste en persoonlijkste plaat in jaren, Detours, na twee flauwe feel good popplaatjes (C’Mon C’Mon uit 2003 en Wildflower uit 2005) die haar rauwe, en aldus beste, randjes van de jaren negentig afveilden. The Globe Sessions uit 1999 geldt vandaag meer dan ooit als hoogtepunt, waarna ze in de Europese vergeethoek belandde. Jammer, ook doordat Detours een return to form was, weer geproducet door Bill Bottrell, met wie het sinds haar gekende debuut dikke mik was geweest. Bijwijlen aangrijpend en mét straffe songs, ging Crow terug naar haar roots.

En op deze 100 Miles From Memphis gaat ze nog enkele stappen verder terug: naar de muziek waarmee ze is opgegroeid in Kennett, zo’n 100 mijl ten noorden van – u raadt het al — Memphis. Het is dan ook haar soulplaat geworden, en daardoor ook meteen een plaat waarmee Crow de vlucht vooruit neemt, een koerswijziging na twee decennia op FM-leest geschoeide (maar weliswaar steeds goed gemaakte) blend van rock, folk en country. Helaas is het geen onverdeeld succes. De helft van de plaat is niet minder dan uitstekend, maar trekt die soulkaart op de andere helft niet voluit genoeg. En dat laat een onvoldaan gevoel achter.

Driewerf jammer, want 100 Miles klinkt vooral geen seconde minder dan fantastisch, dankzij producers Doyle Bramhall II en Justin Stanley die met beter songmateriaal Mark Ronson en Bernard Butler ongetwijfeld het nakijken kunnen geven. Dat bleek al uit de beste zomersingle van 2010, "Summer Day", die de toon zet voor een feel good nostalgietrip die meer dan een gemakkelijke herhalingsoefening wil en kan zijn. Crow heeft die muziek nabij haar geboortestad daarvoor iets te hard opgesnoven, zoals die andere retro chick Amy Winehouse haar coke de laatste jaren.

Dat doet ze ook met het (nogmaals) fantastisch klinkende en rotaanstekelijke "Our Love Is Fading" dat met gouden en ongemeen heldere arrangementen de echo’s van het Stax label (vooral Mavis Staples en Otis Redding kreeg Crow binnen als haar eerste moedermelk) van in het begin door de plaat laat klateren. Dat hoge niveau haalt ze vooral nog met "Summer Day" (toch nog eens vermelden), met de aan gospel verwante energiestoot "Peaceful Feeling" en vooral het zwoele, uitmuntend opgebouwde "Roses And Moonlight". Meer van dat!

Maar nee. Zo erg als de ellendige derderangsreggae van "Eye To Eye", waaraan ook Keith Richards onverklaarbaar mede schuldig is, wordt het gelukkig niet. Halfweg verlaat Crow spijtig genoeg wel het soulpad om haar veiligere habitat op te zoeken ("Long Road Home"), terwijl "Say What You Want" blijkbaar muzikaal niet te hard mag opvallen om de talloze sneren naar Sarah Palin er duidelijk genoeg uit te laten komen. De elegante ballad "Stop" is wederom bloedmooi gearrangeerd maar fleemt teveel met Mariah Carey om goed te zijn. Twijfelgeval is de Terence Trent D’Arby-cover "Sign Your Name", ook een knipoog naar de hedendaagse R&B door backing vocals van Justin Timberlake: overbodig of toch straf gedaan? We zijn er nog steeds niet uit.

Op het angstaanjagende af is de soundmixshow van slotnummer "I Want You Back", waarop de bijna 50-jarige Crow vocaal plots héél dicht aanleunt bij de jonge Michael Jackson – geen wonder dat ze nog achtergrondzangeres was tijdens diens Bad-tour. Ze ziet er niet alleen steeds jonger uit, ze klinkt soms nog als een tienersterretje. Door teveel ontzag ontbeert het de cover aan een eigen smoel, maar het rakelt wel het spelplezier van de beste momenten van deze plaat op.

Goed gedaan of goed geprobeerd? Beide. Op haar best haalt Crow haar hoogste niveau in twintig jaar carrière en zorgt ze misschien voor druk telefoonverkeer in de entourage van enkele jonge popmeisjes die zich laven aan muzikale mosterdpotten van de jaren ’50 en ’60. Hier moet en kan ze meer mee doen. Trekt ze deze lijn hopelijk op haar volgende plaat verder? Het is een vraag die u zich na het beluisteren van deze plaat deze keer wél eens zou kunnen stellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 16 =