Delaney Davidson :: Self Decapitation

In het wereldje van de one man bands komt het er niet alleen op aan meerdere instrumenten tegelijkertijd te kunnen bespelen, maar is het eveneens belangrijk om op een bepaalde, heel specifieke manier de aandacht te kunnen trekken. Dat kan met een komische noot naar het voorbeeld van Dead Elvis & His One Man Grave, maar het kan natuurlijk ook een stuk professioneler. Dat is het geval voor Delaney Davidson, met een brouwsel dat naast het klassieke tweespan van drum en gitaar nog heel wat andere antieke instrumenten te bieden heeft.

Dat oude genres als folk, blues en gospel tegenwoordig op een nogal stiefmoederlijke behandeld worden, brengt nadelen met zich mee, maar eveneens voordelen. Het werkt namelijk in de hand dat zulke muziektakken steeds meer geloofwaardigheid vergaren en punkgeest beginnen uit te stralen. Dat hebben artiesten als Reverend Beat-Man en Zeno Tornado in ieder geval goed begrepen, want met hun haast onbeluisterbare kruisbestuivingen beschikken zij haast per definitie over meer rock-’n-roll-gehalte dan het gemiddelde Europese garagegroepje waarvan de ambitie niet verder reikt dan The Strokes of The Libertines te evenaren.

Dat zulke artiesten zich in vakbonden als het Zwitserse label Voodoo Rhythm verenigd hebben, mag hierbij een geluk heten. Labelbaas Beat-Man blijft zijn lotgenoten namelijk heel wat kansen bieden en dat mag eveneens uit Delaney Davidsons Self Decapitation blijken: Davidson heeft zijn instrumenten net als Beat-Man ergens op een stoffige zolder gevonden, lijkt meer te zagen dan te zingen, maar doet dat met enorm veel enthousiasme, wat zijn repertoire heel wat eigen karakter geeft.

"In The Pines" is als cover van Nirvana’s "My Girl" in dat perspectief een goed nummer om Davidson met andere muzikanten te vergelijken: Davidsons zang klinkt namelijk eerder alsof hij even zijn maaginhoud loost, terwijl de uiterst traag bespeelde instrumenten het goedje muzikaal evenmin toegankelijk maken. Dat het echter moeilijk is om Davidson onder punk te klasseren, bewijst een nummer als "Little Heart", waarin hij een fluweelzachte cello als excuus gebruikt om een troostend, naar Johnny Cash neigend liedje te brengen.

Een liedje als "Little Heart" is echter geen toeval, want uit ritmische nummers als "Lackie’s Man" en "Dirty Dozen" blijkt dat het countrygenre eveneens een belangrijke hoeksteen van Davidsons imperium uitmaakt. In het met Calexico-achtige blazers verrijkte "I Slept Late" lijkt het Wilde Westen van Davidson zich zelfs tot in het warme Mexico uit te strekken. Voor wie zich afvraagt hoe één man erin slaagt met een dergelijke diversiteit uit te pakken, is het raadzaam om het bijhorende CD-boekje te consulteren. Daarin kunt u ondermeer lezen dat Davidson zich voor Self Decapitation heeft laten begeleiden door tientallen muzikanten, gaande van labelbaas Beat-Man himself op gitaar in "Dirty Dozen" en "Little Heart" tot een integraal Roemeens fanfaregezelschap in "I Slept Late".

Dat Delaney Davidson met een dergelijke muzikale wereldreis een interessante bijdrage tot het Voodoo Rhythm-label levert, staat bijgevolg buiten kijf. Met Self Decapitation tast Davidson namelijk heel wat mogelijkheden af en dat alleen maakt het plaatje al interessant. De twijfels beginnen echter waar het plaatje ophoudt: hoe kan Davidson in zijn eentje live een plaat ten berde brengen waarvoor hij op zoveel verschillende artiesten heeft moeten rekenen? Al heeft hij zelfs daar een beetje het voordeel van de twijfel, want wie al een hele resem optredens met Holly Golightly op zijn CV heeft staan, moet er wel iets van kunnen. Toch?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 3 =