Little Women :: Throat

Verdomme, wat doet het goed als je mensen al de hele tijd warm hebt proberen te maken voor een nog niet verschenen plaat en later niet op je woorden terug moet komen. Sinds we hun EP Teeth (2008) voor het eerst hoorden, hebben we een zwak voor dit Amerikaanse jazznoisekwartet. Toen de verlossende boodschap kwam dat het volwaardige debuut in de lente van 2010 zou verschijnen, kon de pret helemaal niet op. Gelukkig is Throat dus even goed als we gehoopt hadden.

Een extra factor was bovendien de aanwezigheid van altsaxofonist Darius Jones in de band. Die Jones bracht een half jaar geleden met Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing) immers een van de beste albums van 2009 uit, een soulvolle freejazzplaat die nog op geregelde tijstippen in onze cd-lade komt parkeren. Little Women vaart echter een radicaal andere koers. Dat wordt meteen duidelijk bij het eerste deel van deze zevendelige suite die bedoeld is om in een keer beluisterd te worden. Door twee saxen in de voorlinie worden keiharde salvo’s afgevuurd terwijl een gitaar jengelt en een drummer schijnbaar zonder richting of remmingen erop los roffelt. Jones maakte met z’n kompanen Travis Laplante (tenor), Jason Nazary (drums) en Andrew Smiley (gitaar) een explosieve cocktail van freejazz, punk, noise en experiment die dan misschien wel aansluiting vindt bij meerdere tradities, maar van meet af aan hoogstpersoonlijk klinkt.

En als ze uithalen dan gebeurt dat furieus, op het hondsdolle af. De saxofoons scheuren en gieren tegen elkaar aan en over elkaar heen. Klanken worden door vreemde technieken vervormd tot rauwe wanstaltigheid. Overblowing wordt hier daadwerkelijk als wapen gebruikt. En dan vertraagt het zootje en wordt er plaats geruimd voor hysterische freakouts en geïmproviseerde stukken die zich op de grens van de waanzin bevinden: ze kunnen in een vingerknip omgebogen worden tot nieuwe salvo’s van microtonale hysterie en onverwachte harmonieën. Throat doet wat Teeth deed: de compositie koppelen aan de improvisatie, de beheersing aan de intuïtie en het viscerale geweld aan de gemankeerde schoonheid. Dit is lillende, ziedende muziek voor intellect en kloten. Het is vitale sturm & drang vergelijkbaar met een espresso op de nuchtere maag. Het doet pijn, maar het is goeie pijn.

Dat het niet altijd chaos en kabaal moet zijn, wordt dan weer bewezen door het tweede deel. Het is een ware geluidsexploratie voor blazers die opnieuw hun weerbarstige verhouding aftasten, wat — zeker door een koptelefoon — leidt tot een imposant, soms akelig hoorspel van verschuivingen en modulaties naar zeurende reutels. Dan is er nog een finale die klinkt als het gekwetter van hysterische roddelwijven met een paar onmisbare moetenuwawetens. Of het derde deel: een en al kromme friemelgitaar, afgewisseld met saxvariaties op een thema dat kan beschreven worden als lomp en monotoon zoals koeiengeloei tegen een steeds hectische achtergrond van snaren- en trommelworstelarij. Na tweeënhalve minuut barst het zootje letterlijk uit z’n voegen en blijven gitaar en drums achter om zich voos te vergrijpen aan rockritmes en haaks gefriemel. Zo wordt dan de terugkeer van Jones en Laplante voorbereid; het is een rentree met pijnlijke frequenties.

Het sleuteldeel (“IV”) is het langst, het meest compleet en laat het beste horen wat een plaat van uitersten dit is. Throat vindt schoonheid door risicovol te spelen met lelijkheid, maar hoor eens wat een mooie contrastwerking tussen de saxen, wat een prachtig etterende lyriek en onverwacht melodische breekbaarheid. Dat wordt dan nog eens aangedikt als de kornuiten zich na een minuut of drie gaan mengen in het verhaal. Een onheilspellende litanie van opbouw en desintegratie, ongemakkelijke stiltes en abrupte sfeer- en stijlwendingen, harde breaks en voldoende attitude om de eigen tekortkomingen onder ogen te zien en er uit te kwakken wat zich een weg naar buiten wil banen. Ondanks z’n compositorische strakheid teert Throat ook op stukken die enkel een organische logica lijken te volgen.

En zo raast het kwartet verder, met harde uithalen en zalvend gefluister, met gesel en snik. Het is muziek van horten en stoten, opzettelijk tegendraads, niet om een spelletje te spelen, maar om niets uit de weg te gaan. Individueel en collectief gaat Little Women de strijd aan met verwachtingen, goede smaak (hoe verklaar je anders dat de plaat, net als Teeth, eindigt met vocale nonsens?), gemakkelijke oplossingen en demonen waar we verder niets van willen weten. Om de woorden van iemand die het allemaal beter dan ons verwoordt te misbruiken: “Throat is. Throat leeft. Throat gebeurt. Beweegt. Throat geeft. Throat weet. Throat spreekt. Throat doet. Throat laat. Throat komt. Throat gaat. Uniek. Muziek. Van vlees en bloed.”

Little Women speelt op 11 mei in de Gentse Vooruit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 1 =