Pandorum




Een man (Ben Foster) wordt wakker en herinnert zich niets meer.
Geen naam, geen leeftijd, geen verleden. Hij weet niet waar hij is.
Er hangen rubberen buisjes aan zijn armen en benen. Er hangt een
ranzig vlies over zijn huid dat hij voorzichtig probeert te
verwijderen. Hij scant de omgeving. Een donkere, vochtige ruimte.
Net op dat ogenblik laat de verlichting het afweten. Met een
TL-lamp probeert hij de namen te lezen die op de muren staan
geschreven. Wie is hij? Welke naam is de zijne? Waarom trillen zijn
handen zo?

Geef toe, de openingsscène van ‘Pandorum’ is best veelbelovend.
Ze doet precies wat een goede openingsscène moet doen: aandacht
trekken. Verwachtingen scheppen. Ervoor zorgen dat je als kijker je
bekertje Cola even terzijde schuift en je volledige aandacht richt
op de film. Op basis van de openingsscène zou ik iedereen aanraden
zo snel mogelijk naar de bioscoop te hollen, het liefst vandaag
nog. Maar jammer genoeg is dit geen kortfilm. Regisseur Christian
Alvart wil zijn publiek maar liefst voor 108 minuten aan het scherm
gekluisterd houden. Hoe? Zijn strategie is kinderlijk eenvoudig –
vooral kinderlijk. Het enige wat hij nodig heeft, is een defect
ruimteschip, een paar helden, een leger kannibalistische monsters
en een fictieve geestesziekte, om het geheel af en toe wat aan te
wakkeren.

Het is aan die ziekte dat de film overigens zijn intrigerende
titel heeft ontleend. Pandorum – klinkt alvast beter dan ‘Hepatitis
B’ – is een psychose die uitsluitend kan voorkomen bij astronauten,
en dan nog enkel nadat ze uit een jarenlange hyperslaap zijn
ontwaakt. De bekendste symptomen zijn paranoia, hallucinaties en
opvliegendheid, telkens voorafgegaan door oncontroleerbaar
trillende handen. Of de man uit de openingsscène al dan niet aan
pandorum lijdt, schijnt hem zelf alleszins weinig uit te maken. Hij
wil alleen maar zo snel mogelijk zijn geheugen terugkrijgen, en –
wonder boven wonder – geleidelijk aan lukt hem dat ook.

Zo slaagt hij erin zich zijn naam te herinneren – Bower – en
komt hij erachter dat hij zich aan boord bevindt van een gigantisch
ruimteschip dat op weg is naar een nieuwe bewoonbare planeet.
Tijdens zijn zoektocht maakt hij kennis met de eveneens verwarde
Peyton (Dennis Quaid), ontdekt hij een tweetal wegrottende
mensenlijken en komt hij in aanvaring met een hele hoop
bloeddorstige mutanten. In zijn strijd tegen de monsters krijgt
Bower de hulp van een Duitse Lara Croft (Antje Traue) en een
Aziatische vechtjas (Cung Le) die werkelijk geen woord Engels
spreekt, maar desondanks precies doet wat van hem wordt verlangd.
Tussendoor wordt Bower ook nog eens geplaagd door plotse
herinneringen aan zijn vrouw, van wie hij vermoedt dat ze zich
ergens aan boord bevindt en naar wie hij dus op zoek moet. Maar
bovenal moet hij dringend de kernreactor zien te vinden en te
herstarten, vooraleer het ruimteschip zonder energie valt. Ja, die
Bower, je zou niet graag in zijn schoenen staan.

Dat omvangrijke web van verhaallijnen heeft als voornaamste
effect dat er vrijwel iedere minuut iets gebeurt, dat je
voortdurend op je hoede moet zijn om niet de draad te verliezen. De
actie komt voortdurend in allerlei vormen en soorten op je af,
gaande van een futuristische shoot-em-up tot een good
old
knokpartij – Steven Seagal versus de aliens, of
iets dergelijks. De weinige momenten dat de handeling even
stilvalt, worden door regisseur Alvart benut om zijn verhaal van
een geloofwaardige – nou ja – context te voorzien. Hoogtepunt, wat
dat betreft, is het optreden van ene Leland (Eddie Rouse), die
eerst de hele plot uit de doeken doet in versvorm (!) en vervolgens
zijn enige drie toehoorders wil opeten. Op zijn minst een
bijzondere interpretatie van het concept ‘poëzieavond’.

Het grootste probleem van ‘Pandorum’ is echter niet zozeer het
slordige scenario – sommige ideeën zijn nog best goed gevonden,
eerlijk gezegd – als wel de verschrikkelijke bordkartonnen
personages. Op geen enkel ogenblik in de film heb je het idee dat
je naar echte mensen zit te kijken: het zijn eerder
gevechtspoppetjes, personages uit een gewelddadig computerspel,
zonder ook maar de minste diepgang. Het logische gevolg is dat je
niet kan meeleven met hun avonturen en dat het nauwelijks iets
uitmaakt waar ze uiteindelijk terecht zullen komen. Enkel Bower
krijgt nog een fractie mee van wat je een ‘gevoelswereld’ zou
kunnen noemen, door middel van enkele (fel overbelichte) flashbacks
van zijn echtgenote. Maar de rest van het gezelschap blinkt uit in
pseudo-coole apathie, en zeker Antje Traue lijkt zichzelf net iets
te stoer te voelen voor iemand met haar voornaam. Toffe
verschijning verder, daar niet van.

Afgezien van Bowers flashbacks ziet de wereld van ‘Pandorum’ er
opvallend donker uit, zo donker zelfs dat je soms amper iets kan
waarnemen. Natuurlijk is dat een efficiënte manier om spanning te
creëren, zeker in combinatie met de industrial soundtrack
en het schelle gekrijs van de mutanten, wiens aanwezigheid op die
manier steeds wordt gesuggereerd. Wanneer de gedrochten dan toch
eens in beeld verschijnen, doen ze misschien nog het meest denken
aan de zombies uit ‘The Descent’, een film waar dit
sciencefictionverhikel trouwens wel meer van weg heeft, maar die in
geen enkel opzicht wordt geëvenaard, laat staan overtroffen.

Ook het irritante shaky camerawerk hebben we intussen
al zo vaak gezien dat er geen woord meer aan moet worden
vuilgemaakt. Iemand die graag de lolbroek uithangt, zou eventueel
kunnen zeggen dat de cameraman zeker aan pandorum moet hebben
geleden, maar zo ver wil ik nu ook weer niet gaan. Vrolijk ben ik
immers hoegenaamd niet geworden van deze ‘psychologische
sciencefiction actie-horror’ – of hoe kan je dit het best
omschrijven? Een rommeltje, dat is het. Een rommeltje met een goede
openingsscène.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × twee =