Han Bennink Trio :: Parken

Onvoorstelbaar dat een muzikant die al meedraait sinds de vroege jaren zestig en een sleutelspeler van de Europese free jazz/improvisatie genoemd mag worden, pas op z’n 67e toekomt aan een eigen trio. En zelfs dan is hij niet te beroerd om het jonge volkje mee aan het zeil te laten trekken.

Je begint haast te duizelen als je Han Benninks staat van dienst eventjes snel overloopt. Als snotneus speelde hij in 1964 mee op de allerlaatste opnames van Eric Dolphy. Samen met pianist Misha Mengelberg en tenorman Willem Breuker zette hij de Nederlandse scène op de kaart. Vanaf einde jaren zestig zorgde hij aan de zijde van Peter Brötzmann ervoor dat de Europese free jazz/avant-garde zonder blozen naast de Amerikaanse kon staan. Maar ook daarna bleef Bennink een onvermoeibare durfal, bereid om in eender welke context de stokken op te nemen, wat resulteerde in samenwerkingen met Steve Lacy, Derek Bailey, Eugene Chadbourne en de experimentele punkers van The Ex.

De meeste faam geniet de man van Zaandam echter om zijn hyperenergieke, herkenbare aanpak, een mengvorm van technische virtuositeit en clowneske onzin. Gene Krupa, Keith Moon en een halvegare verenigd in één persoon. Het hele drumstel aanwenden is intussen de gewoonste zaak binnen de wereld van de jazz en experimentele muziek, maar Bennink gaat nog een stap verder door werkelijk alles dat binnen handbereik is (lege bierblikjes, snaren, papiertjes, een tapijt, een asbak) in zijn spel te betrekken. De Europese jongens hebben altijd al de aansluiting gezocht met de andere kunsten (Bennink is ook beeldend kunstenaar en tekende voor het artwork), maar weinigen deden het met zo’n gevoel voor (absurde) humor, brede interesse en kennis van zaken als Bennink.

Op Parken laat het eeuwige indiaantje zich begeleiden door twee jonge muzikanten die hij in Canada leerde kennen: rietblazer Joachim Badenhorst (vooral een klarinetexpert), een Belg die uitgeweken is naar New York, en de Deense pianist Simon Toldam. Nobele onbekenden in vergelijking met de leider, die hen echter nergens voor de voeten loopt. Benninks stijl is overdonderend, dus braafjes "in dienst spelen van" zit er niet in, maar die exuberantie is er nu eenmaal, zonder zijn partners daarom in een hoekje te drukken. Bovendien lokt zo’n extraverte persoonlijkheid tegenstanders uit hun kot, wat hier en daar leidt tot spetterend luistervoer.

Het begint alleszins vrij veeleisend, met het tumultueuze "Music For Camping", dat van start gaat met een reeks valse aanzetten, roffels, in rondjes draaiende probeersels. Snel wordt echter vorm gegeven door plagerige uithalen, subtiele knikjes en schwung. Want laat een ding duidelijk zijn, ondanks die "ik-rammel-maar-wat-aan-nonchalance" van de drummer kan je niet anders dan toegeven dat hij als geen ander swing in een track weet te steken, ook als de bezetting zich te buiten gaat aan pure avant-garde. Dat was ook al zo met Clusone 3, het trio met Ernst Reijsiger en Michael Moore, waarmee hij op iets toegankelijker wijze free en klassiek wilde samenbrengen.

Maar er zijn nog songs om de tanden op stuk te bijten. Zo is Badenhorsts "Reedeater" ook een hoogtepunt en een mooi voorbeeld van hoe diens donkere, haast tegen de klezmermelancholie aanleunende stijl de strijd aanbindt met het potten- en pannengeluid van Bennink. Sommige passages hier vertrekken haast vanuit een tabula rasa, zonder houvast, maar van radicaal vrije improvisatie kan je zelden spreken. Daarvoor houden de drie te veel van sfeer, swing en de traditie, waar constant naar verwezen wordt. Als ze dan toch loos gaan, zoals in "Myckewelk", een hectische uitbarsting van twee minuten vol geratel, gehamer en gedonder, dan gaat de energiemeter echter fors in het rood.

Ter compensatie van al het moeilijke geweld halen de drie ook een paar Ellington-songs uit de kast. "Isfahan", uit diens Far East Suite, wordt nog onderworpen aan een vrij gewaagde deconstructie, maar "Fleurette Africaine" en "Lady Of The Lavender Mist" krijgen een respectvolle behandeling die nergens verglijdt in meligheid of een gezichtsloze aanpak. Het laat niet enkel horen dat een trio met een uitgesproken hedendaags geluid nog inspiratie kan halen uit het verleden, maar ook dat het in staat is om die invloed te verwerken met een overtuigende subtiliteit en inlevingsvermogen.

"Parken", de ballade die het album afsluit, bevat ook zang van Qarin Wikström, een jonge Zweedse die zorgt voor een prachtig, wegmijmerend slot die nogmaals de veelzijdigheid van de band onderstreept. Parken is een gevarieerde, uitdagende en aangenaam warm klinkende plaat die ondanks de forse dosis tegendraadse energie ook met de nodige bedachtzaamheid en zin voor dosering gemaakt is, door drie sterk op elkaar inspelende muzikanten met een eigen gezicht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × 3 =