Razorlight :: Slipway Fires

Zeg niet zomaar: ik ben een genie. Johnny Borrell van de Britse indierockband Razorlight zal het geweten hebben. Wanneer hij Razorlights debuut beter achtte dan dat van Bob Dylan was het hek van de dam. Vandaag probeert hij zijn muziek het woord te laten voeren, maar zijn derde album, Slipway Fires, is weinig veelzeggend.

Aan lef en grote woorden heeft Borrell geen tekort. Met zijn brutale en verwaande uitspraken (hij noemde zichzelf de grootste tekstschrijver van zijn generatie) plaatste hij zichzelf en Razorlight lange tijd in het midden van een onstuimige mediastorm. De naïeve vogel stond verstomd van de gretigheid waarmee de sensationele media inpikten op zijn roekeloze uitlatingen. Borrells vader, een journalist, trachtte hem daar nog enigszins voor te behoeden, maar zoonlief sloeg alle advies in de wind. Inmiddels is de nood om tegen de schenen te schoppen afgenomen en laat hij zijn hooghartige uitspraken enigszins voor wat ze zijn.

Ten tijde van zijn debuut stelde de zanger zichzelf en de band op de hoogst mogelijke troon en alsof dat nog niet genoeg was, deed zijn thuisland daar nog een schep bovenop. Up All Night werd de hemel in geprezen. Overdreven, dat zeker, maar niet volledig onterecht. Arrogant of niet, Razorlight mocht met Up All Night van een geslaagd debuut spreken. Zelfs zijn tweede album groeide uit tot een hitbom. Het leverde de band zijn eerste nummer 1-hit op in Groot-Brittannië met het tijdloze "America". Inmiddels mocht het viertal mee op tournee met grootheden als Queen, Oasis, U2 en The Rolling Stones. Hoe dan ook blijven de meningen over Razorlight verdeeld en wordt de band meer dan eens verweten te veel bij zijn buren te gluren. Vernieuwend is Razorlight alvast niet, maar tot nu toe sprak zijn muziek genoeg aan om daarop afgerekend te worden.

Razorlights derde album boeit echter veel minder. De plaat opent onmiddellijk met de climax. Na het prachtige en mind-blowing "Wire to Wire" kan het eigenlijk al niet anders dan bergaf gaan. Hoewel opvolgers "Hostage of Love" en "You and the Rest" best oké zijn en niet onheilspellend overkomen, komen bij "Tabloid Lover" de donderwolken tevoorschijn in de vorm van een poprefrein dat al na één luisterbeurt vervelend klinkt en surplus eindeloos herhaald wordt. Het onweer zet zich voort met "North London Trash" en het ronduit saaie "60 Thompson". Het meeslepende "Stinger" brengt nog enkele zonnestralen mee en ook "Monster Boots" weet nog scherpzinnig uit de hoek te komen, maar op het einde gaan de mannen van Razorlight helemaal de mist in met het stompe "The House". Van een man die zich zonder problemen naast Bob Dylan durft te plaatsen, verwachten we gewoon meer.

Hoog tijd dus dat Razorlight van zijn zelfgemaakt voetstuk naar beneden komt en meer aandacht besteedt aan het uitwerken van zijn nummers. De meeste songs op deze plaat beginnen namelijk goed, maar verliezen al snel de veerkracht waarmee ze zo uitgelaten uit de startblokken schoten en gaan daarna snel vervelen.

Wie ze deze zomer aan het werk wil zien, zal over de grenzen moeten gaan en zal ook Andy Burrows, toenmalige drummer van Razorlight, moeten missen. Die stapte in maart dit jaar uit de band en werd vervangen door David Sulliman-Kaplan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × drie =