Kid Congo & The Pink Monkey Birds :: Dracula Boots

Het funk- en junglegenre nieuw leven inblazen: het is geen kleine boterham. Kid Congo heeft als ex-gitarist van Nick Cave & The Bad Seeds, The Cramps en vooral The Gun Club echter heel wat relevante ervaring en is bijgevolg uiterst geschikt om met Dracula Boots nog eens een poging te ondernemen.

Wie het garagegenre in één zin wil bevatten, kan dat het best doen door de muziekstijl als een mengeling van punk en oude muziekinvloeden te definiëren. Het is immers ook zo dat Kid Congo & The Pink Monkey Birds zijn weg naar het garagelabel In The Red Records heeft gevonden: de groep combineert oude jungle-invloeden met punk, en probeert zo tot een prikkelend resultaat te komen.

Met Kid Congo’s vorige plaat, Philisophy And Underwear uit 2006, lukte dat vrij goed want het plaatje was behalve een genreplaat immers net zo goed een feestplaat in de richting van de feestelijke funky rock-‘n-roll à la Screamin’ Jay Hawkins. Dracula Boots is in dat opzicht een heuse stijlverandering: Kid Congo is namelijk weer minder toegankelijk, en veeleer een lekkernij voor genregeeks.

Dat maakt Kid Congo van bij het begin van het plaatje duidelijk, want het openingsnummer “LSDC” is met een vette riff en een zware, hypnotiserende stem heel sterk back to basics. Met “I Found A Peanut” onderstreept hij dat echter nog iets meer, want in geen enkel ander nummer lijkt Congo’s stemgeluid zo hard op dat van Bo Diddley, u bekend als the godfather of jungle.

Met een liedje als “Hitchhiking” toont Kid Congo vervolgens hoe hij in het punkgenre past: het nummer baadt in vuile distortion en past net daarom uitstekend in hippe, rokerige clubs. Hetzelfde geldt voor het compleet chaotische “Funky Fly”, een nummer dat niet-ingewijden ongetwijfeld interpreteren als te veel geteer op een coole sound, maar dat je op de juiste plaats en op het juiste moment toch op de juiste plaats kan raken.

Toch blijft Dracula Boots een moeilijke plaat, want slechts hier en daar klinkt Kid Congo & The Pink Monkey Birds speels als popmuziek. Dat is bijvoorbeeld bijna het geval in “La Llarona”, waarin Kid Congo na een drietal nummers eindelijk nog eens zingt. Het handjeklap in het nummer is echter niet bedoeld om het liedje toegankelijker te maken, maar enkel om Kid Congo’s coole geluid te voeden. Over het openingsriffje van “Kris Kringle Ju Ju” kan men een gelijkaardige conclusie maken: het riffje lijkt aanvankelijk op iets van The Strokes, maar naarmate het nummer vordert, kom je tot de vaststelling dat het fantasietje alleen een hoger doel dient, en zeker niet bedoeld is om een breed publiek aan te spreken.

Dat Kid Congo het plaatje met een vocale ghosttrack afsluit, toont nog maar eens wat voor een dwarsligger hij is. Een normale groep zou zijn experimentele uitstapjes in kleine hoekjes verbergen, maar Kid Congo doet net het tegenovergestelde en haalt in zijn laatste track een stem boven waarvan zelfs Barry White-fans spontaan beginnen kwijlen. Het resultaat is een plaatje met bijzonder weinig waarde voor een breed publiek, maar des te meer cultgehalte voor wie net iets meer gewoon is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − 5 =