The Boy in the Striped Pyjamas




Jaren geleden heeft een leraar van me de gruwelen van de Tweede
Wereldoorlog omschreven als “de verschrikkelijke keerzijde van een
drang naar gemütlichkeit”. Miljoenen mensen werden
systematisch vermoord in concentratiekampen door nazi-officieren
die achteraf naar huis gingen, waar hun vrouwtje hun pantoffels had
klaargezet en de kinderen hen rond de nek vlogen voor een knuffel.
Gemoedelijkheid, daar ging het om. Een geïdealiseerd huiselijk
leven dat klaarblijkelijk verkregen moest worden door de ongewenste
elementen in de samenleving uit te roeien. Geen joden, zigeuners of
homo’s meer, Lebensraum voor iedereen en dan maar
Sauerkraut beginnen vreten.

‘The Boy in the Striped Pyjamas’, de nieuwe film van ‘Brassed
Off’-regisseur Mark Herman, draait voor een groot deel rond die
bizarre breuklijn in de geest van veel nazi’s, die hen toestond om
zowel absolute beesten als liefdevolle vaders te zijn. Asa
Butterfield speelt Bruno, een achtjarig jongetje wiens vader (David
Thewlis) is aangesteld als de nieuwe commandant van een
concentratiekamp. De naam van het kamp wordt nooit expliciet
vermeld, maar we krijgen hints dat het over Auschwitz gaat.
Aanvankelijk heeft Bruno geen flauw idee wat er op nauwelijks een
kilometer van zijn voordeur gebeurt. Hij ziet soms mensen rondlopen
op “een boerderij”, allemaal gekleed in wit-blauw gestreepte
uniformen die sterk lijken op zijn eigen pyjama, maar trekt daar
verder geen conclusies uit. Hij blijft zijn vader zien als een held
die broodnodig werk verricht voor het vaderland. Wanneer Bruno op
een dag het bos achter het huis gaat verkennen, komt hij terecht
aan de prikkeldraad rond het kamp. Daar ontmoet hij Shmuel (Jack
Scanlon), een jongen van zijn eigen leeftijd. Met de
vanzelfsprekendheid die kinderen van acht nu eenmaal hebben, worden
Bruno en Shmuel vrienden. Gaandeweg beginnen bij Bruno dan ook de
eerste vragen te rijzen over de job van zijn vader.

De grote kracht van ‘The Boy in the Striped Pyjamas’ is bovenal
de manier waarop Mark Herman (allicht in navolging van het boek)
consequent het perspectief van Bruno kiest om zijn verhaal te
vertellen. Je kunt het manipulatief noemen om een kind als
hoofdpersonage te nemen voor een holocaustverhaal, maar in dit
geval maakt die kinderlijke, naïeve invalshoek inherent deel uit
van de inhoud – neem dat er uit weg en je hebt gewoon een heel
andere film, met heel andere thema’s. Zoals het is, weet Mark
Herman op een knappe manier te spelen met het contrast tussen
Bruno, die blind is voor wat er om hem heen gebeurt, en het
publiek, dat het allemaal maar al te goed beseft. Tijdens de
openingsscène in Berlijn zien we Bruno met een paar schoolvriendjes
naar huis lopen – ze spelen, maken vliegtuiggeluidjes en ga zo maar
door. Er lopen soldaten door de straten, maar Bruno ziet ze niet.
Hij passeert een flatgebouw waarvan de inwoners in vrachtwagens
worden geladen, maar blijft er geen moment bij stilstaan – hij
leeft in zijn eigen wereldje, zoals elk kind. Dat contrast blijft
de hele film lang een drijvende kracht achter het verhaal. Een
Auschwitz-gevangene die klusjes opknapt in Bruno’s huis is voor hem
gewoon “Pavel, die vroeger een dokter was maar nu aardappelen
schilt”. En dat is dan dat. Aan Shmuel vraagt hij waarom die een
nummer op zijn pyjama draagt en of zijn ouders ook werken op de
boerderij. Bruno reduceert al die vreemde, verwarrende dingen die
hij ziet naar een kinderniveau. Hij doet wat alle kinderen doen:
hij verzint een soort scenario voor zichzelf waarin hij alles een
plaats kan geven, en dat is dan waar hij in gelooft. De
werkelijkheid is zo gruwelijk dat hij zich er zelfs in zijn wildste
fantasieën geen voorstelling van zou kunnen maken.

Als toeschouwer kijk je er natuurlijk naar in de wetenschap van
wat er écht aan de gang is, en plotseling krijgen kinderlijke
onschuld en naïviteit, twee eigenschappen die normaal gezien juist
mooi horen te zijn en continu geïdealiseerd worden, iets pervers.
Je voelt je er ongemakkelijk bij, en zo hoort het ook. Wanneer
Shmuel aan Bruno vertelt dat zijn vader niet is teruggekomen van
een werkploeg, weten we als kijker wat dat betekent, maar Bruno
heeft geen flauw idee. En het is in dat contrast dat de film zijn
beste punten scoort.

Mark Herman wordt daarbij geholpen door een opmerkelijke cast.
Asa Butterfield toont verrassend veel naturel als Bruno.
Hij trapt nooit in de ergerlijke cuteness-val waar veel
kindacteurs last van hebben (“kijk eens, ik ben klein en
schattig!”), maar reageert op een erg geloofwaardige manier op zijn
omgeving. Zijn rol bestaat voor een groot deel uit reacties op zijn
omgeving, waardoor hij maar weinig showy scènes te spelen
krijgt, maar met z’n elf jaar (op het moment van draaien), weet hij
toch de hele film makkelijk op z’n schouders te dragen. Jack
Scanlon is net iets minder memorabel als Shmuel, maar dat zal voor
een deel ook wel komen omdat hij nu eenmaal minder screen
time
krijgt dan Butterfield. David Thewlis is betrouwbaar als
altijd als de vader die tijdens kantooruren een monster is.

Wat de plot betreft, heeft de film wel vanaf het begin te kampen
met een paar ongeloofwaardigheden. Hoe waarschijnlijk is het immers
dat Bruno’s moeder niet zou weten wat er gebeurt in het
concentratiekamp van haar man? En, wat belangrijker is, hoe kan het
zijn dat Shmuel elke dag probleemloos naar de prikkeldraad kan
komen om daar op zijn gemakje een babbeltje te slaan met Bruno? Nu
goed, dat soort vrijheden kan een film als deze zich nog wel net
vooroorloven. Problematischer is het einde, dat het publiek
ongetwijfeld sterk zal verdelen. Nuchter bekeken deugt dat slot
niet echt: het is ongeloofwaardig en extreem manipulatief (hoor dat
strijkorkest ‘m maar eens van jetje geven!). En toch… Tja, en
toch wérkt het dus wel. De regisseur zit schaamteloos met je
traanklieren te spelen, maar ik zou de mensen geen eten willen
geven die inderdaad jankend van ontroering de zaal verlaten. In
zekere zin haalt de filmmaker gewoon een smerige truc met je uit,
en je wéét dat het een smerige truc is. Maar dat wilt nog niet
zeggen dat je er niet intrapt.

Visueel is ‘The Boy in the Striped Pyjamas’ in ieder geval dik
in orde. Cameraman Benoit Delhomme gaat de grijze en grauwe clichés
van het concentratiekamp uit de weg door ook de filmstijl af te
stemmen op de onschuld van Bruno: het is schijnbaar altijd goed
weer in Polen, en we krijgen mooie, rijke kleuren. Ook dat werkt de
thematiek weer in de hand: vlak buiten de prikkeldraad van het kamp
ligt een mooi bos, waar de vogeltjes genadeloos blijven
doorfluiten, zelfs terwijl de gaskamers draaien.

Je kunt afknappen op het sentiment van het scenario, maar ‘The
Boy in the Striped Pyjamas’ weet wel een overtuigende blik te
bieden op de kindertijd en op de bizarre, moeilijk aan te wijzen
scheidingslijn tussen een liefdevolle vader en een nazibeul. En dan
dat einde… Denk er maar van wat je wilt, maar laat het je niet
tegenhouden om te gaan kijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × drie =