Fall Out Boy :: Folie A Deux

Polydor, 2008

Voor het kritische oog is Fall Out Boy eerder een merknaam dan een
kwaliteitslabel: groot geworden dankzij de emo-hype – officieel het
vuilste woord uit de huidige muziekindustrie – een naam die
gebaseerd is op een Simpsons-karakter en een bassist die zich de
halve trouwboek van Ashlee Simpson mag noemen; het zijn niet meteen
de meest gegeerde karakteristieken om culturele erkenning te
genieten. Commercieel succes hebben ze des te meer, waardoor de
vier Amerikaanse punkertjes zich na het kassuccess ‘Infinity On
High’ (2007) miljonairs mogen noemen en ondertussen als
entrepreneurs ook verantwoordelijk zijn voor de ontdekking van
andere hitmachines als Panic At The Disco en Gym Class
Heroes.

Deze vijfde studioplaat ‘Folie A Deux’ moet na de internationale
doorbraak hun ontgroening finaliseren en dus werden kosten nog
moeite gespaard om hier een midden-in-de-roosschot van te maken.
Een hele rist gastoptredens, van alle subtiliteit gespeende
refreinen en groteske gedachtenstromen: we waren bijna verrast dat
er aan het einde van de luistersessie geen horde witte duiven uit
onze stereo kwam opvliegen. Introspectie en intimiteit zijn niet
welkom, entertainment is een must; zoals zanger Patrick Stump in de
opener al duidelijk maakt: “Nobody wants to hear you sing about
tragedy
“. De bescheidenheid is hij bovendien ook verleert, als
we zinsneden als “Hell or glory, I don’t want anything in
between
” (‘She’s My Winona’) of “When they made me, they
broke the mold
“(‘(Coffee’s For Closers)’) mogen geloven – het
doorsnee tienermeisje wil nu eenmaal geen wijfelende muis boven
haar bed plakken.

Het is al te gemakkelijk om Fall Out Boy omwille hiervan achter
grootvaders schuur af te knallen: dit is rock voor de massa die met
dat doelwit voor ogen sterk geëxecuteerd is. Neem nu de lead single
‘I Don’t Care’, dat de ‘Disposable Teens’-riff met alle kleuren van
de regenboog glamouriseerde en dankzij een klepper van een refrein
ontegensprekelijk ‘HIT’ over zich heen geschreven heeft. Het
kwartet speelt strakker dan ooit tevoren en heeft daar deugd van,
want niet toevallig zijn de snelste cuts van deze plaat de grootste
aanraders. Laaf uw dorst naar enig amusement binnen verzuurde
tijden aan de geweldige eightiestrip ‘West Coast Smoker’ met Debbie
Harry als copiloot of het venijnige ’27’, dat met uitzondering van
de iets te lang gerokken gitaarsolo – in fastfoodpop is de grootte
van de porties nu eenmaal van vitaal belang – drie minuten lang uit
de boxen spat.

Hoewel het binnen de pretpunk niet meteen een primair aandachtspunt
is, laat een song als ‘Headfirst Slide Into Cooperstown On A Bad
Bet’ – van opgezwollen hitparaderock naar pastorale pauze en terug
– zien dat het kwartet zich beter op de melodieën concentreerde
dan voordien. De elastische stem van Stump is trouwens een
uitgelezen troef om constructiefoutjes te camoufleren. De
standaardriffs van ‘The (Shipped) Gold Standard’ zijn an sich
dodelijk repetitief, maar de kwieke overgangen van kop- naar
buikstem drijven de funkiness van het nummer ten top. De bridge
I want to scream I love you from the top of my lungs, but I’m
afraid that someone else will hear me
” maakt deze track
trouwens weerom tot commercieel goud.

Een dertiendelige tracklist kunnen deze jongens echter nog niet
vullen zonder de kopieermachine aan te zetten. Het prefabgehalte
van ‘Tiffany Blews’ swingt de pan uit: een korte en bijster fletse
flirt met hiphop geeft een luchtbel als deze geen ruggengraat en de
lyric “Ooh baby, you’re a classic like a little black
dress
” gaat zelfs als stijlfiguur zwaar over de schreef. Ook
‘America’s Suitehearts’ is snel vergeten omdat het net door het
overduidelijk streven naar een anthem-status zich van de
eeuwigheidswaarde berooft. De les rond repetitiviteit dringt toch
stilaan door, want op dit album horen we al meer afwisseling dan op
de voorgangers: in samenwerking met Brendon Urie slaan sommige
tracks de barokke richting in die protégés Panic At The Disco met
‘Pretty.Odd’ al opzochten. In de samenwerking met Elvis Costello
‘What A Catch, Donnie’ profileert Stump zich con brio als crooner.
Het overdreven nerveuze ’20 Dollar Nose Bleed’ brengt het er minder
goed vanaf: more is less is nooit een credo van Fall Out
Boy geweest maar de opdringerige trompetten en snel bijgesmeten
tweede stem maken dit simpelweg too much.

Hoewel ze met het blote oog onmogelijk serieus te nemen lijken,
heeft Fall Out Boy een onmiddellijk herkenbaar geluid gecreëerd dat
nog helemaal niet zo slecht geconstrueerd is. De bouwstenen hiervan
zijn in een handomdraai te dissecteren en na verloop van tijd
worden truukjes zoals de semi-abstracte stream of conscioussnesses
uitermate doorzichtig, maar het blijft wel entertaining as
hell
. De vastberaden meerwaardezoeker zal na ‘Folie A Deux’
van een kale reis terugkeren, maar wie naast cultuur ook commerce
met een kapitale C durft te schrijven, kan Fall Out Boy een plaats
geven binnen de rijke muziekwereld en hen daarbij meteen boven de
bulk van de concurrentie zetten.

Fall Out Boy speelt op 23 maart in de Ancienne Belgique.
Uiteraard waren de trouwe kijkers van de TMF-concertkalender u voor
en zijn de kaarten voor dit concert ondertussen al een tijdje de
deur uit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 3 =