The Bronx :: The Bronx (III)

Na onwetendheid is onverschilligheid de grootste kanker van deze maatschappij. Maar wat wil je? Het wordt een mens niet gemakkelijk gemaakt met irritant middelmatige platen als The Bronx.

Het begon nochtans veelbelovend: het debuut wist gebrek aan originaliteit moeiteloos te compenseren met een explosieve cocktail van onversneden rock-’n-roll en barricadenbestormende punk die de intentie had om een pocketrevolutie in te luiden. Ze kwamen uit het Sodom van de laat-twintigste eeuw (Los Angeles), maar haalden inspiratie bij bands die een paar generaties eerder grote sier maakten: The Weirdos, The Germs en Black Flag (aan wie ze zelfs gestalte mochten geven in What We Do Is Secret, een biopic over The Germs).

Twee titelloze albums later blijft er van die belofte niet veel meer over. Ondanks een agressieve, oorpijnigende productie die de gitaren volledig in het rood jakkert heeft de plaat de impact van een potje halfvolle fruityoghurt. Intussen klinkt The Bronx immers als het L.A. van Sunset Strip, het L.A. van de rockclubs waar behaagzuchtige bandjes vechten om aandacht en vette platencontracten. The Bronx is te heavy voor de gemiddelde rockfan, maar tegelijkertijd zo glad en gestroomlijnd dat onze bullshitdetector ei zo na explodeerde.

Het is allemaal spetterend vuurwerk, intense schreeuwzang en meezingbare refreinen dat in opener "Knifeman" de klok slaat, maar het sleept ook allemachtig lang aan zonder iets op te leveren. Het doel was duidelijk om een punkepos te creëren, maar The Bronx falen. Er vallen wel een paar prima songs te rapen op het album ("Inveigh", "Ship High In Transit"), maar net zo vaak valt op dat het gaat om door en door foute songs begraven onder cosmetische decibels: "Past Lives" is immers niet minder dan een stinkende lap 80s glam-metal in een punkjasje. Jakkes.

De middenmoot van het album biedt ook het soort belegen punkmetal waardoor je zin krijgt om wat platen van The New Bomb Turks, Zeke of The Supersuckers op te leggen. "Pleasure Seeker" is amper een haar beter dan het emogelul dat de radiogolven bevuilt, met "Six Days A Week" rotzooien ze met catchy punkpop die niets te bieden heeft (tenzij voor prepubers met lage verwachtingen), terwijl de schreeuwerige zang van het gemakzuchtige "Young Bloods" mateloos irriteert.

"Live for the moment, as fast as you can", weerklinkt de boodschap in "Minutes In Night". Wat moet een mens dan in godsnaam aanvangen met zoiets? Waarom dan nog tijd verspillen aan een band die resoluut weigert om het onderste uit de kan te halen en genoegen neemt met flauwe, pseudo-opruiende light-punk waar geen mens beter van wordt? Waar blijft de revolutie die met zo veel tralala aangekondigd wordt?

The Bronx houdt geen uitverkoop, is geen wanstaltige schertsvertoning of uit de hand gelopen experiment, al had het dat wel mogen zijn. Niets is immers zo saai en zo vervelend als een band die geen kans onbenut laat om hoog van de toren te blazen en het vervolgens op veilig speelt. Op dit moment maakt The Bronx lawaai voor mensen die veel te snel tevreden zijn. "I believe I’m only human", keelt Matt Caughthran ergens op The Bronx. Nu ja, ik ook, en ik krijg een verdomde koppijn van deze plaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 1 =