In Bruges




‘If I’d grown up on a farm and was retarded, Bruges might
impress me.’
Geert Bourgeois zal Colin Farrell graag horen
komen. Net wanneer België eindelijk eens wat positieve
reclame zou kunnen gebruiken, komt de Ierse patser één van onze
mooiste – en eigenlijk ook wel saaiste – middeleeuwse stulpjes
belachelijk maken. Alsof de strapatsen van Aspe en de
Duvelgorgelende speurneus al niet erg genoeg waren. Al een geluk
dat die snedige Belgium bashing verpakt zit in een klein
maar venijnig zwart komedietje dat meer gemeen heeft met een absurd
toneelstuk dan met de hippe adhd-diarree van Guy Ritchie. ‘In
Bruges’, het langspeeldebuut van Martin McDonagh, is even
wispelturig als de grijze wolkenformaties die samentroepen boven de
West-Vlaamse hoofdstad, maar verdomd, het heeft ballen aan het lijf
en laat zonder te verpinken een hoerenlopende lilliputter met
racistische trekjes opdraven. Only in Belgium…

Huurmoordenaars Ken (Brendan Gleeson) en Ray (Colin Farrell)
worden na een fout afgelopen klus naar Brugge (‘it’s in
Belgium’
) gestuurd om er een paar weken onder te duiken. De al
wat oudere Ken geniet van de rust en hangt met plezier de
cultuurtoerist uit, terwijl zenuwpees Ray zich stierlijk verveelt
in de best bewaarde middeleeuwse stad van België. Al wachtend op
Godot en een bevrijdend telefoontje van de baas (een vuilbekkende
Ralph Fiennes) maken ze kennis met de steeds surrealistischer
wordende stad en haar bewoners. Een Amerikaanse dwerg maakt er een
Europese arty farty-film, een lokale schone (Clémence Poesy) laat
het hartje van Ray wat sneller slaan en een gangstertje, dat
verdacht veel op Jérémie Renier lijkt, begint met losse flodders te
schieten. En dan komt eindelijk dat telefoontje van de baas en
raken de al behoorlijk gecompliceerde zaken nog iets meer in de
knoop. Welkom in Brugge, het eeuwig smeulende vagevuur voor twee
gangsters uit Londen.

Huurmoordenaars (‘hitmen’ bekt toch net iets beter)
pakken goed op pellicule, zeker wanneer er humor mee gemoeid is
(‘Grosse Pointe Blank’ is een huisfavoriet), maar nog veel meer als
die humor langs een galgje naar beneden komt gekropen. ‘In Bruges’
is er zo eentje. Van ver lijkt dit bizar gecaste vehikel (was Colin
Farrell ondertussen geen grote kleine in Hollywood?) misschien op
een zoveelste Britse gangsterkomedie die zichzelf verliest in
zelfbevredigende spielerei , maar het langspeeldebuut van energieke
theatermaker en Oscarwinnaar (beste kortfilm ‘Six Shooter’) Martin
McDonagh houdt zich constant stevig in het less is
more
-gareel om een traag vooruitschrijdende anti-hippe
komische thriller af te leveren. Dit ruikt veel meer naar een
weinig pretentieuze hommage aan de Coens (Carter Burwell,
huiscomponist van de broertjes, verzorgde de sombere soundtrack)
dan naar een vermoeiende Guy Ritchietombola waar de gangsters
elkaar proberen te overtroeven met de hipste
nicknames.

McDonagh, die meer geïnteresseerd is in de getormenteerde
wenkbrauwen van hoofdrolspeler Colin Farrell en een paar absurde
(en vaak sadistische) ingevingen dan in blits gemonteerde
shootouts, neemt zijn tijd om het plotloze verhaal op gang te laten
kruipen. Geen grootse set-up, geen wie-belazert-wie-intriges en al
zeker geen grote rechtsomkeerfinale waarin alles in een ander
daglicht wordt geplaatst. Twee Ierse gangsters stranden in de
West-Vlaamse hoofdstad (die er even oogstrelend als surrealistisch
uitziet, dankzij de sfeervolle fotografie die geen enkel gotisch
hoekje of torentje buiten beeld laat) en wachten op een telefoontje
van de baas om vanonder de middeleeuwse steen te kruipen. ‘In
Bruges’ is het verhaal dat zich afspeelt onder die steen. Die
ongecompliceerde en rechtlijnige structuur is zowel een zegen als
een vloek. ‘In Bruges’ heeft net iets te weinig om het lijf om
constant te boeien, maar de naar David Mamet knipogende dialogen
zijn vlijmscherp, de acteurs staan kwiek en McDonaghs gevoel voor
esthetisch verzorgde curiositeiten (er passeert een pastiche op
Nicholas Roegs ‘Don’t Look Now’ op de
achtergrond!) houden de aandacht en de zinnen net voldoende
geprikkeld. Net wanneer je lichtjes verveeld onderuit wil schuiven,
komt er altijd wel iets eigenaardigs – een coke snuivende dwerg
bijvoorbeeld – van achter de hoek kruipen. Alles bij elkaar is ‘In
Bruges’ niet de som van zijn leuke delen (Colin zet Jérémie Renier
voor schut, Colin schoffeert een familie dikkerds, Colin zoekt boel
met een koppel Canadezen, Colin verkoopt de lilliputter een
karateslag), maar gelukkig wordt er niet al te veel dead
space
gelaten tussen de geinige vondsten en leuke dialogen.
Enkel de grote finale – de iets te laat op gang getrokken
achtervolging – valt een beetje uit de toon met de rest van de
theatrale en actieloze aanpak.

Drie bekende koppen krijgen drie uiteenlopende rollen waar ze
zich zichtbaar mee amuseren. Colin Farrell was de laatste jaren
fameus zijn talent en tijd aan het verspillen in Hollywood, maar
laat in dit kleinood eindelijk nog eens zien waarom hij de rijzende
ster is die er maar niet in slaagt om effectief te rijzen. Hij
fladdert zonder problemen van zenuwachtige neuroot over rusteloze
flapuit tot labiele agressor en wanneer de dieper liggende trauma’s
ontbloot worden, begin je zowaar mee te leven met de tussen
suïcidale inzinkingen en gelukzalige roesmomenten vertoevende grote
muil met het kleine hartje. Rosse karakterkop Brendan Gleeson vormt
een sympathiek duo met Farrell en ook hier krijg je -toch ietwat
onverwacht – een aandoenlijke surrogaatvader-zoonrelatie die ‘In
Bruges’ meer diepgang verschaft dan het eigenlijk verdient. Tot
slot is er nog een plezante Ralph Fiennes die bijna de show mag
stelen met een zoveelste geslaagde smeerlappenrol, maar het moet
gezegd zijn, Ben Kingsley heeft dit rolletje al eerder vertolkt –
op sublieme wijze trouwens – in ‘Sexy Beast’, die andere
gangsterkomedie met een hoek af. Hoe dan ook, het kabbelende
verhaal wordt perfect gecounterd met energieke vertolkingen van een
cast die zich duidelijk in zijn sas voelde in Brugge. Het zullen de
de Duvels zijn geweest, ongetwijfeld.

‘In Bruges’ is een eigenzinnige kronkel van een film, die laat
zien dat er toch nog leven zit in het uitgemolken genre van de
Britse misdaadkomedie. Martin McDonagh heeft als een anti-Guy
Ritchie een trage, bijna plotloze, maar eigenlijk ook lichtjes
intrigerende film gemaakt die met zijn bizar gevoel voor humor en
donkere ondertonen onmogelijk in een conventioneel hokje te wringen
is. Gooi daar nog de sterke acteerprestaties, de flatterende
fotografie en een paar gortdroge dialogen bij (‘is he having a
poo or a wee?’
) en je krijgt een curieus filmpje dat, ondanks
het hit-en missgehalte, aandacht verdient. Geert Bourgeois kan op
de beide oren slapen: ‘In Bruges’ is een kleine opsteker , zowel
voor het imago van Colin als voor ons kindermisbruikend landje van
bier en chocolade.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in