Into the Wild




Geld maakt gelukkig, zegt u? Daar dacht dan toch één jongeman
anders over. In 1990 besluit de Amerikaanse twintiger Christopher
McCandless, die net zijn diploma rechten heeft behaald, om zijn
creditkaarten door te knippen, zijn laatste cash geld in de fik te
steken, zijn identiteit uit te wissen en zijn vetgemest spaarvarken
aan Oxfam te doneren. Zonder afscheid te nemen van wie dan ook,
doopt hij zichzelf om tot ‘Alexander Supertramp’ en trekt hij al
liftend weg uit Atlanta. Gedreven door het filosofische
gedachtengoed van zijn favoriete schrijvers Jack London, Leon
Tolstoy en Henry Thoreau, wil hij kost wat kost naar Alaska, in de
overtuiging dat dat zijn enige kans op geluk is. Een
kluizenaarsbestaan leiden in de natuur, in een wereld zonder
ouders, hypocrieten, politici en klootzakken, waar hij spirituele
verlossing zal vinden. Na een rondreis van twee jaar door de
Verenigde Staten en Mexico, waarop hij tal van lotgenoten ontmoet
en vriendschappen sluit, komt hij uiteindelijk in putje winter aan
in Alaska, waar hij, gezeten in zijn magisch schoolbusje,
zijn idyllisch beeld van éénwording met de natuur toch een pak moet
bijschaven: nee, de natuur is niet altijd je vriend.

Op basis van dagboekfragmenten van McCandless en de
getuigenissen van mensen die hem kenden, schreef Jon Kraukauer over
dit waargebeurde verhaal de bestseller ‘Into the Wild’. Sean Penn
kreeg het boek in handen, werd alleen al op de cover smoorverliefd
en kocht meteen de filmrechten. Een intrigerende opzet: een rebel
aan het roer, Eric Gautier (van ‘The Motorcycle Diaries’) achter de
camera, een wereldwijde goede ontvangst… redenen genoeg om te
beginnen watertanden. Tot mijn spijt heeft de gouden regel ‘eerst
zien, dan geloven’ nog maar eens zijn dienst bewezen, want na het
zien van ‘Into the Wild’ kan ik niet anders dan bokkig tegen de
lovende stroom inzwemmen. In de 140 minuten durende vierde film van
Sean Penn zit inderdaad een prachtige roadmovie van anderhalf uur
verstopt. Alleen zit er een verschrikkelijk lange waslijst aan
stoorelementen in de weg, waardoor je er niet van kan genieten. Het
is als kijken naar een concert, terwijl er een grote struise kerel
voor je neus staat. Een lekker stuk taart waar je niet van mag
proeven. Proberen om een uitgestrekt landschap in je op te nemen,
terwijl er een paal in de weg staat en hoe je je ook draait of
keert, je kan alleen nog maar die paal zien.

Als je deze fijne vergelijkingen al storend vond, dan moet je je
zeker niet into the wild wagen. De goedkope symboliek
vliegt je er om de oren en al van bij de eerste noot die Eddie
Vedder (Pearl Jam) uit zijn kampvuurgitaar pingelt, weet je dat dit
een blind eerbetoon zal worden. Terwijl ze in Alaska McCandless
gewoonweg ‘knettergek’ noemen om zonder kaart of degelijke
voorbereiding de wildernis in te trekken en de natuur uit te dagen,
wordt in deze versie van de waarheid de vraag niet eens gesteld of
de jongeman nu de ultieme durfal, de ware held is, dan wel een
verwaande egoïst met een ondoordacht plan. Sean Penn kiest resoluut
voor de verheerlijking en volgt daarmee het spoor van zijn eigen
eng denkende, lijnrechtige protagonist (die een leven in de
wildernis romantiseert).

Erger nog dan dat ze de jongen tot een martelaar uitroepen (een
clochard keert in sé ook de maatschappij de rug toe), is het feit
dat ze hem niet menselijk voorstellen. Heeft deze jongen achter
zijn tandpastasmile dan niet één slechte eigenschap? Onze
‘supertramp’ wordt vrij vlak en ongenuanceerd afgeschilderd als een
enthousiasteling die de mensen op zijn weg betovert: boer Vince
Vaughn vindt in hem een ware vriend, hippiechick Catherine Keener
vindt in hem haar lang verloren zoon en ouwe rot Hal Holbrook vindt
in hem de zoon die hij nooit heeft gehad. Asjemenou. McCandless’
personage wordt nogal aan de oppervlakte gehouden en dat maakt het
mysterie er niet groter op. Hoewel ik de scènes in zijn magic bus
in Alaska liever allemaal achter elkaar had gezien (maar Sean de
kapper dacht er anders over), werkten ze voor mij nog het best: we
krijgen tijdens deze scènes de tijd om de natuurliefhebber in de
jongeman rustig te observeren – op momenten waarop hij zich
duidelijk in zijn nopjes voelt, maar ook die waarop hij tegen
zichzelf begint te praten uit eenzaamheid.

Voor de rol van McCandless werd gekozen voor de relatief
onbekende Emile Hirsch (het schoffie uit ‘The Girl Next Door’).
Wanneer iemand enorm veel gewicht verliest voor een rol, raken we
al snel onder de indruk, maar Hirsch zag er toch griezelig echt uit
als wandelend lijk tijdens de laatste dagen van McCandless’ leven.
De rol is zeker op fysiek vlak niet te onderschatten en voor zijn
eerste echt grote rol, heeft hij het er (mede dankzij zijn
fotogenieke kop) zeker niet slecht van afgebracht. Dat hij
uiteindelijk toch tekort schoot, ligt dan ook meer aan de aanpak
van Sean Penn dan aan Hirsch zelf, die zijn best gedaan heeft, maar
het gelukzalige gevoel van vrijheid dat op zijn lippen rust, niet
tot bij de kijker kan overbrengen. Laat staan dat je je met hem kan
identificeren of zijn geest kan vatten. Terwijl aan ieder van ons
dat gevoel om opgeslokt te worden door onze eigen
voorgeprogrammeerde maatschappelijke denkbeelden en te willen
vluchten uit dat keurslijf van streven naar een ‘groot huis met een
zwembad en een Poolse schoonmaakster’ toch ook niet vreemd is, heb
je aan het einde van deze film niet het gevoel de drijfveer van de
jongeman écht te vatten. Met enkele flashbacks naar zijn kindertijd
met ruziemakende ouders nemen we alvast geen voldoening.

De manier waarop Sean Penn McCandless dan toch een stem tracht
te geven, is het grootste stoorelement van de hele zit: de
hoogdravende voice-overs. Naast een voice-over van McCandless zelf
met filosofisch gezwam uit zijn boeken, krijgt ook zijn jongere
zus, die hij nooit op de hoogte heeft gebracht van zijn
omzwervingen, ook de kans om haar verdriet en vooral haar
grenzeloze liefde voor haar broer te uiten. Haar gezwollen,
diepzinnig bedoelde emo-onzin werkt zodanig op de zenuwen, dat
zelfs een prop in haar mond niet voldoende was geweest. Ook het
opdelen in hoofdstukken zorgt voor meer dikdoenerij dan nodig:
tussentitels als ‘Birth’, ‘Adolescense’, ‘Family’ en ‘The Getting
of Wisdom’ (alsof hij een wedergeboorte doormaakt) laten weinig aan
de verbeelding over en tenslotte kletst Penn er nog wat symbolische
beeldspraak bovenop door bijvoorbeeld de oude man een berg op te
laten klauteren (toch niet als het overwinnen van een obstakel
zeker?) of door de zoveelste vlucht ‘vrije’ vogels in de lucht te
laten voorbijkomen…

De beelden die Eric Gautier van deze roadtrip langs het
Amerikaanse landschap schoot, van de Colorado rivier tot de
woestijn en uiteindelijk het witverlichte sneeuwlandschap van
Alaska, zijn gewoonweg adembenemend, al werd hen door een
clichématig gebruik in de montagekamer (de Pantène Pro-vitamine
hair shake, de camera spin rond McCandless die bovenop een
bergtop staat,…) niet bijzonder veel eer aan gedaan. Wanneer op
een bepaald moment Emile Hirsch – terwijl hij tegen zijn
‘superappel’ praat (het is een onbespoten exemplaar uit de natuur)
– volledig ongepast recht in de camera kijkt, werd het aftellen
hoeveel truken Sean Penn nog zou bovenhalen om de pret
vergallen.

Hier zat inderdaad een fantastische prent in, die bezoedeld
wordt door Vedders melige ondertitelde liedjes (maatschappij, wat
ben je slecht!), overbodig honingzoete voice-overs en vooral een té
verbloemende, zelfs irritante kijk op een interessante jongeman. De
film is hooguit half zo mysterieus en inspirerend als de bedoeling
was. Je gaat niet met een verlichte geest naar huis en je blijft
ook niet achter met het hartverscheurende gevoel van ‘had ik die
man maar gekend’ – uiterst vreemd, omdat dat nu nét is wat Sean
Penn een hele film lang heeft proberen doen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 9 =