Jenny Hoyston :: Isle Of

Knutselprojecten hebben vaak een frisheid en een onbevangenheid die professionele tegenhangers ontberen. De artiest laat zijn/haar creativiteit de vrije loop, distilleert de productie tot een compact geheel en brengt het aan de man. De keerzijde van de medaille is echter dat het snel duidelijk wordt dat enige ingrepen verstandig, of zelfs nodig waren geweest. Jenny Hoystons Isle Of bewandelt die grens tussen frustratie en charme met een achteloos gebrek aan voorzichtigheid.

Hoyston is een onbekende voor het grote publiek, maar kan bezwaarlijk een groentje genoemd worden. Met Erase Errata maakte ze nijdige wijvenrock die hen een plaatsje in het voorprogramma van Sonic Youth bezorgde. Daarnaast was er ook nog het veredelde soloproject Paradise Island en in 2006 was er Hallways Of Allways, de prima samenwerking met haar oude roommate William Elliott Whitmore. Wie meer krakende rootsmuziek met een experimenteel randje verwacht is eraan voor de moeite. Isle Of is, in de traditie van de excentrieke soloplaten, immers een album dat kant noch wal raakt en freakfolkachtige songs schaamteloos aan afstandelijke electropop koppelt.

Met "Spell D-O-G" en "Bring Back Art" valt ze nochtans in huis met aanstekelijke gitaarpopsnoepjes die het beste doen vermoeden. De nummers zijn erg basic, maar voorzien van de nodige hooks (de opener) en een zelfverzekerde attitude ("Bring Back Art") die Hoyston prematuur in de categorie plaatst waar Liz Phair ooit het mooie weer maakte. Met "Novelist" en het stompende niemendalletje "Structure" zoekt ze die oorden nogmaals op (hoewel ze dat met net iets minder overtuigingskracht doet). De rest van het album is zo gefragmenteerd en grillig dat het nooit echt duidelijk wordt of Hoyston eigenlijk wel een goedgevormd plan voor ogen had.

"Break Apart, Reattach", een minuscule folksong van amper zeventig seconden, lijkt de methode van Hoyston duidelijk te maken: demonteer het nummer, maak komaf met klassieke structuren en lengte en rotzooi vervolgens een beetje met de componenten bij het assembleren. Door die deconstructie valt het al te aangedikte "Even In This Day And Age" dan ook amper te beschouwen als een oprechte folkuitstap. Dan liever "Send The Angels", een gothic aanvoelende klaagzang die Whitmore vast op goedkeurend gegrom zou onthalen.

De plaat werd op verschillende locaties en met verschillende muzikanten opgenomen. Experiment te over dus, wat ook betekent dat de naturel van een band nu en dan wordt ingeruild woor een drumcomputer: bij het repetitieve "I Don’t Need ’Em", een brok kil minimalisme, werkt dat nog, wat niet geldt voor het hikkende "Everyone’s Alone" en "Kill Those Thoughts About", waarvan de aanstekelijke melodie wordt gesmoord door een overdaad aan artificiële opsmuk.

Meer dan de helft van deze twaalf songs haalt niet eens de twee minuten, wat ervoor zorgt dat Isle Of blijft steken op goed zeventwintig minuten. Op zich geen probleem, ware het niet dat het album, volledig in de lijn van zijn titel, slechts een aanzet tot een coherent statement kan zijn. Iets dat onaf is hoeft niet synoniem te staan voor overbodigheid, maar als je erin slaagt een schizofrene melange ook nog eens te besmeuren met bezopen onzin als "Ruff…Ruff…/Rainbow City" en het peutertuingerammel van "Babies With Rabies" (nochtans een uitstekende titel), dan bezorg je de luisteraar vooral het gevoel in de zeik gezet te zijn. Isle Of zou nog kunnen fungeren als verzameling van outtakes, maar als album blijft het een enerverend zootje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 3 =