I Don’t Want to Sleep Alone





115 min. /Maleisië/2006

Vorig jaar kwam, verpakt in een wolk, een verrassende film
voorbijvliegen: ‘The Wayward Cloud’, een pijnlijke mijmering over
de leegte van de porno-industrie, opgenomen in lange, stille shots
die onderbroken werden door hyperkinetische musicaluitspattingen.
Geprikkeld door dit moois en vlijtig als het liesje dat ik ben, ben
ik meteen in het ballenbad van regisseur Tsai Ming Liangs oeuvre
gedoken. Mijn belangrijkste vaststelling: Ming-Liang is een
kunstenaar op kleine schaal. Een razend interessante filosoof en
mensenobservator, die cinema maakt die maar een heel klein publiek
zal smaken. Zijn films vormen een redelijk consistent geheel van
‘donkere meditaties over naar adem happende zielen’, die zeker
genietbaar zijn, maar soms zodanig meanderend traag zijn, dat ze
flirten met de verleiding tot een snoozefest. Van één van
zijn meest bejubelde films, ‘Goodbye Dragon Inn’ kan ik
bijvoorbeeld het einde niet navertellen. Mijns inziens vroeg
Ming-Liang met deze redelijk pretentieuze, voortsloffende
film-in-de-film gewoon te veel van zijn publiek, namelijk: wakker
blijven. De titel van zijn nieuwste film ‘I Don’t Want to Sleep
Alone’ doet het ergste vermoeden en zeker het eerste uur moet je
inderdaad wat op de tanden bijten, want de geestelijke bevrediging
komt pas helemaal op het einde, wanneer het allerlaatste beeld
letterlijk het scherm komt binnengedreven. Een beeld dat verrassend
genoeg zó overdonderend en adembenemend mooi is, dat ik prompt bij
mijn quotering een extra bolletje heb gekleefd.

In ‘I Don’t Want to Sleep Alone’ teert Ming-Liang op zijn
gekende toverformule: zijn fetisjacteur Lee Kang-Sheng speelt weer
de eenzaat van dienst en geeft in een gezapige, poëtische
beeldvoering gestalte aan de angst om alleen te moeten slapen,
ditmaal in een verpauperde wijk in Kualu Lumpur (Maleisië).
Hsiao-Kang (Lee Kang-Sheng die de hele film lang geen woord zegt),
een illegale gastarbeider, wordt in elkaar geslagen door enkele
oplichters. Rawang (Norman Bin Atun) neemt Hsiao-Kang als een
barmhartige Samaritaan mee naar zijn huis (bestaande uit een matras
in een verlaten fabrieksgebouw) en verzorgt hem alsof het zijn
eigen kind was, of beter, alsof het zijn geliefde was. Als hij
eindelijk wat opgelapt is, ontmoet Hsaio de serveerster Chyi, die
‘s avonds de verlamde zoon van de cafébazin (Lee Kang-Sheng in een
dubbelrol) verzorgt met alle mogelijke zalfjes en poedertjes. In de
door bosbrandlucht benevelde stad stijgt de fysieke koorts tussen
de twee geliefden…

Tsai Ming-Liang’s stokpaardjes qua beeldvoering zijn ondertussen
wel gekend: statische, zeer lang aangehouden shots, die hij
maximaal benut, door ook met voor- en achterplan te spelen. Hij
plant zijn camera neer op een tot de verbeelding sprekende locatie
(de indrukwekkende verlaten bouwwerf bijvoorbeeld) en laat de actie
zachtjes voorbijkomen of stilletjes centraal in beeld zitten.
Binnen de donkere, grijze schaduwdecors van de stad observeert hij
geduldig, steeds vanop een zekere afstand, zijn personages. Chyi
die de zoon met talkpoeder insmeert. De twee mannen die naast
elkaar slapen en om beurten hun ogen opendoen om naar elkaar te
kijken. Chyi en Hsaio die de liefde proberen te bedrijven, maar
steeds moeten hoesten van het stof dat in de lucht hangt.

Tijd is een belangrijk aspect in de films van Tsai Ming-Liang,
het is zijn manier om met het medium te spelen, om de kijker te
manipuleren en te hypnotiseren. Hij is niet zozeer op zoek naar het
vertellen van een verhaal, maar houdt zijn shots soms zo lang aan,
dat tijd niet meer belangrijk is en het eerder een onderdompeling
in een bepaalde sfeer wordt die hij wil overbrengen, een gevoel dat
hij wil vertalen. Het lijkt wel of Tsai Ming-Liang zijn publiek wil
testen op hun geduld (of afstraffen op hun ongeduld). Hij probeert
de kijker van het kijken te laten genieten en zo meer te laten
ontdekken. Hij laat zijn personages in hun kleine handelingen zaken
suggereren, aan ons om het netwerk van gevoelens erachter te
achterhalen, aan ons om de stiltes veelzeggend te maken. Het is
waar dat je na een tijdje op details begint te letten. De
omgevingsgeluiden, die door het stilzwijgen nog luider gaan
klinken. De donkere, deprimerende omgeving, die sterk afsteekt
tegen de romantische en hoopvolle Bollywoodiaanse liefdesliedjes
die uit de tv komen knallen.

De film is een aaneenschakeling van mooi in beeld gebrachte
‘handelingen’, die ons op een breekbare manier worden
voorgeschoteld (je mag hen bespieden in hun intieme momenten), maar
die te afstandelijk blijven om te weten beklijven. Beelden die voor
zich moeten spreken (want echt gesproken wordt er nauwelijks) of
die dingen moeten suggereren, maar die toch een beetje blijven
steken aan de oppervlakte van ‘wat we zien’. Je voelt wel het
immense belang dat aan de matras wordt gehecht (de hunkering naar
samenzijn), maar je zou de film evengoed een esthetische schets van
het leven van de lagere klasse in de multiculturele samenleving van
Kuala Lumpur kunnen noemen. Dieper graven naar de drijfveren van de
personages is mogelijk, maar niet vanzelfsprekend.

Op een bepaald moment zit Hsaio te vissen en komt er op zijn
schouder een grote, bruine vlinder zitten. Je kan deze scène op
drie niveaus interpreteren: ofwel zie je gewoon een vlinder die op
zijn schouder komt zitten, niets meer. Ofwel zie je de vlinder als
een symbool voor de kracht van zijn verbeelding. De man is een
landloper, hij heeft niets, geen huis, geen geld, hij heeft enkel
nog de macht om te dromen en vrij te zijn. Op een derde niveau doet
die vlinder denken aan een Oosterse filosofische wijsheid waarin
een man van een vlinder gedroomd heeft en zich achteraf afvraagt of
hij nu geen vlinder is die droomt dat hij een mens is…Als we de
lijn doortrekken naar de personages: is Hsaio eigenlijk geen
hersenspinsel van de zoon van de cafébazin? … Deze interpretatie
gaat mij inderdaad ook te ver – het tweede niveau halen lukt nog
net. De vraag is dan ook tot waar je de film zelf kan invullen.
Tsai Ming-Liang reikt plaatjes aan, wij moeten ze inkleuren, maar
vooral tijdens de eerste helft valt er haast uitsluitend te
registreren en valt er volgens mij niet zoveel te interpreteren of
zelfs te beleven.

Enkel het laatste beeld van de drijvende matras met de drie
slapers erop straalt overduidelijk puur poëtische energie uit en
geeft het geheel een nieuwe betekenis, alsof de film vervelt als
een slang en er een nieuwe diepgang te voorschijn komt. Was de hele
film maar een droom? Hebben de drie nu eindelijk hun rust gevonden?
Het beeld is een hoopvolle afronding na de lange zwerftocht, als
het neerploffen in de zetel bij je thuiskomst.

‘I Don’t Want to Sleep Alone’ is gedrenkt in een unieke
visuele, broeierige sfeer en wordt zo een diepere en veeleisendere
kijkervaring dan dat we van onze mainstreamfilms gewoon zijn. Hou
zeker genoeg geduld bij de hand – of dat geduld bestraft of beloond
wordt, ligt eigenlijk volledig aan jezelf. Voor mij maakte het
laatste beeld veel goed, het maakte de film uiteindelijk op het
allerlaatste nippertje nog het wachten waard, maar opnieuw kijken
zit er de eerste tien jaar toch ook niet in.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 5 =