Help Me Eros





Mocht er zoiets bestaan als een mini-playbackshow voor
regisseurs, dan won Lee Kang- Sheng voor het nabootsen van zijn
grote idool Tsai Ming-Liang de grand prix op zijn sloffen. Met zijn
tweede langspeler ‘Help Me Eros’ lipt de fetisjacteur van
Ming-Liang netjes de filmwijsheden van zijn leermeester mee en
tovert hij met diens typische long takes, statische in- en
uitloopshots en metaforische, dialoogarme beelden een film uit zijn
hoed die zo binnen het verzamelde werk van Tsai had gepast. Niet
echt een verrassing als je weet dat Tsai Ming-Liang producent van
dienst is, Lee Kang-Sheng met dezelfde cameraman (Liao Pen-jung) en
hoofdacteur (hijzelf) werkt én ook nog eens in dezelfde thematische
vijver vist. Er had dus evengoed Tsai Ming-Liang op de aftiteling
kunnen staan. En toch brengt Lee Kang-Sheng ook vernieuwing aan de
dag, die hem onderscheidt van zijn voorbeeld: hij durft de sacrale
stilte vaker te doorbreken en gooit er vooral op visueel vlak meer
snoepjes voor het oog tegenaan, waarmee hij ons tot in de laatste
scène weet vast houden met zijn neonbelichte poëzietaal van de
doemdenkendste soort.

Lee Kang-sheng speelt zelf de rol van Ah Jie, een rijke snuiter die
al zijn bankbriefjes op de beurs heeft verspeeld en zijn dagen in
zijn hippe appartement vult met wietplantjes kweken, high worden
(‘marihuana is God’), rondlummelen en rondneuken met de schaars
geklede meisjes van het bedelnotenstandje op de stoep. Eén van de
flashy halfnaakte steltenloopsters Shin (dat die geen hoogtevrees
krijgen op die plateauzolen!) raakt oprecht geïnteresseerd in hem,
maar hij ziet haar meer als een tijdelijk afleidingsmanoeuvre van
zijn eigen ellende en geldproblemen. Ah Jie denkt namelijk veel aan
de kleine dood, maar ook aan de grote dood. Uit pure wanhoop belt
hij de zelfmoordlijn en raakt geobsedeerd door Chyi, het meisje aan
de andere kant van de lijn. Hij fantaseert over haar, idealiseert
haar, legt zijn lot in haar handen. ‘little cookie’ (haar msn-naam)
is echter het tegenovergestelde van wat hij in gedachten had: haar
huwelijk met de beste chef-kok van het land heeft van haar een
mollige walvis gemaakt en sinds haar ventje heeft ontdekt dat hij
homo is, voelt ze zich gefrustreerder dan ooit en verwart ze eens
te meer eten met affectie.

Ondanks de vrij expliciete seksuitspattingen die de film bevolkt,
is ‘Help Me Eros’ iets toegankelijker dan Tsai Ming-Liangs werk
(toch dan zijn laatste ‘I Don’t Want to Sleep
Alone’
) en laat zich ook makkelijker interpreteren. De film is
een grauwe, vrij deprimerende dissectie van het Taiwanese
stadsleven waar niemand elkaar nog écht lijkt te begrijpen. Alles
is gericht op consumeren, voor denken en filosoferen is geen tijd
meer. ‘Het leven is veel sneller geworden. Het is eten, afrekenen,
en dan alweer heel snel honger krijgen.’ Lee Kang-Sheng weet
waarover hij het heeft: de film baseerde hij op een bepaalde fase
uit zijn leven waarin hij ook met het idee van zelfmoord speelde.
Met ‘Help Me Eros’ wil hij onverbloemd de noodkreet van vele
Taiwanezen schetsen. De stad uit de film is superhip, alles bruist
en flikkert en schittert van de welvaart (made in Taiwan, weet je
wel), maar als je het kleurrijke oppervlaktelaagje eraf schraapt,
komt er een eenzaamheid en leegte bloot te liggen die de inwoners
proberen op te vullen met consumptieartikelen…luxewagens, tonnen
instantnoedels of instantseks, marihuana (of zelfs een bad vol
palingen zoals Chyi in een extreme drang om toch aangeraakt te
worden, eens uitprobeert). Substitutes for love. Die nooit
the real stuff kunnen vervangen. Niemand komt vooruit in
‘Help Me Eros’, iedereen blijft ter plaatse inroeien tegen de
negatieve spiraalkolk die alsmaar sneller gaat draaien. Geen wonder
dat de zelfmoordhulplijnen roodgloeiend staan en de marihuana
uitdagend in de neus kriebelt.

Die hulpkreet aan de God van de Liefde weet Lee Kang-Sheng aan de
hand van één schitterende locatie gestalte te geven: een hip,
steriel appartement vol met designspullen (een lichtgevende zetel
en worstvormige kussens incluus) boven een met neonverlichting
versierde standje met sigaretten en bedelnootjes waar
om-ter-naakste kirrende meiden van hun paaldanspaal naar beneden
sjezen om aan de voorbijgaande chauffeurs hun waar te proberen
verkopen. De omgeving waar Ah Jie in vertoeft, is een
weerspiegeling van zijn eigen bestaan: zijn appartement wordt
alsmaar leger, net als de betekenis van zijn leven en daar kan de
beste seks ter wereld niets aan veranderen. De seks in ‘Bang bang
wo aishen’ is pontificaal aanwezig, -je kan er niet naast kijken-
en wordt hypergestileerd en over the top in beeld gebracht, als een
fastfoodproduct, enkel gehuld in een blitse reclameglos. Op het
triootje op het dak wordt o.a. een Burberry, Gucci en Louis
Vitton-motieven geprojecteerd (een bevreemdend, maar mooi
resultaat) en wat Shin met Ah Jie uitspookt tegen de witte,
gecentreerde achtergrond grenst aan het kamasutra-onmogelijke, het
extreme.

Het gaat er allemaal nogal oppervlakkig aan toe. Het zit Ah Jie
niet mee, maar hij is niet echt een personage waarmee je kunt
meeleven. De jongeman is een vrij arrogant, op uiterlijk gericht,
hij voelt niets (tenzij misschien tussen zijn benen), blijft
rondploeteren in zijn zelfdestructieve, nihilistische leventje vol
seks en drugs en bedelnootjes en verzet geen poot om zijn leven wat
op orde te krijgen… Voeg daar nog eens de vreemde humor aan toe,
zo keelschrapend droog dat je niet eens weet dat je mag lachen (het
struisvogelei! Het gehijg tussen de wietplantage!) en de film zal
voor sommigen dodelijk afgerekend worden op de weinig emotionele
diepgang die hij biedt. Een feit, maar hier wordt nu eenmaal geen
sprookje verteld, deze film gaat over mensen die verdoofd door het
leven gaan, in een alternatief slaapwandeltoestand vertoeven, met
een half been in de dood. De lieflijke muziek en breekbare stem van
zangeres Panaï vangen deze inhoudelijke kilte mooi op en kleuren
het liefdesverhaal met Shin uitbundiger dan het uiteindelijk is,
waardoor de film dieper graaft en er toch een evenwicht ontstaat
tussen de kitscherige oppervlakte en de donkere, diepere ondertoon
van het verhaal. Tussen Eros en Thanatos.

Het inhoudelijke aspect mag dan op de tweede plaats komen, de film
is visueel een verbijsterende trip. Het kenmerkende trage tempo
voelt wonderwel nergens te traag aan, gewoon omdat elke scène zo
goed in elkaar steekt. Elke long take wordt een kijkdoos vanuit een
vast camerastandpunt, waarbij je door een spiekgat mee kan kijken
naar de heel tastbare cinema die voor je neus tot leven komt en in
en uit het kader loopt. Die long takes, je moet er voor zijn, maar
Lee Kang-Sheng weet ze echt wel op de best mogelijke manier te
gebruiken; zo maakt hij van de meest banale zaken als Ah Jie die zo
stoned als een garnaal de kamer in en uit loopt met de fluitketel
in zijn hand om noedels te maken, een grappige en treffende scène
tegelijk en werkt hij met metaforische plaatsen of beelden die je
doen glimlachen in hun eenvoud. Ah Jie die achter het lottowagentje
aanholt, zijn laatste hoop om alles terug op orde te krijgen. De
vis op tv die levend gevild en klaargemaakt wordt en bij het
opdienen zelfs nog met zijn mond ligt te happen, je trekt makkelijk
de parallel met de geestestoestand van het hoofdpersonage zelf. De
lichtsurrealistische stemming die hij door de telefoon de film
inblaast tot bij het meisje uit dromen of het prachtige beeld van
de sneeuwbui van dwarrelende lottobriefjes…ze geven de film een
surreële glans en maken hem de moeite waard om bij onderuit te
zakken en mee te gaan in de dromerige roes van Ah Jie.

Het is begrijpelijk dat deze film moeilijk zijn weg vindt naar het
publiek en niet overal een release kent, hier moet je voor zijn.
Voor wie van kabbelende Aziatische cineasten en long takes houdt,
is dit zeker één van de straffere mannen uit de stapel. Terecht een
film om naar uit te kijken. Maar wel strikt voor de fans.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier − twee =