Paranoid Park




Er zijn maar weinig regisseurs al zo dikwijls afgeschreven en
weer uit hun eigen assen herrezen als Gus Van Sant. Begin jaren
negentig scoorde hij een arthouse hit met ‘My Own Private Idaho’,
en iedereen sprak van hem als dé inventieve, creatieve kracht om in
de gaten te houden. Tot hij ‘Even Cowgirls Get the Blues’ maakte en
(niet geheel onterecht) naar de vuilnisbak werd verwezen. De
good-will die hij daarna weer wist te vergaren met ‘To Die For’,
speelde hij kwijt aan zijn gruwelijke remake van ‘Psycho’, en zijn
Gouden Palm voor het bezwerende ‘Elephant’ kreeg een
donkere schaduwzijde toen hij die film opvolgde met het oersaaie
‘Last Days’. Zo
vaak als ze hem op het voetstuk van indie God hebben
willen plaatsen, zo vaak hebben ze Van Sant er weer afgehaald. Na
‘Last Days’ heeft
de regisseur alvast een goede kans om het gevestigde patroon verder
te zetten en opnieuw de hemel ingeprezen te worden: ‘Paranoid Park’
is immers een poëtische, intuïtieve maar toch doelbewuste studie
van de puberteit. In navolging van ‘Elephant’ waagt Van Sant
zich opnieuw in de van razende hormonen gonzende gangen van een
middelbare school, en hij weet er nog steeds fascinerende verhalen
te vinden.

Alex (Gabe Nevins) is een doorsnee puber in Portland, Oregon,
die op het eerste zicht een volstrekt onopmerkelijk leven leidt:
zijn ouders zijn verwikkeld in een echtscheiding (“maar da’s oké,
want iederéén z’n ouders zijn gescheiden”), hij heeft een liefje
waarvan hij bang is dat ze hun relatie te serieus neemt en hij gaat
samen met zijn vriend Jared graag skaten in Paranoid Park, een
illegaal skateterrein. Niks bijzonders dus, tot Alex betrokken
raakt bij de dood van een beveiligingsagent aan de spoorweg die
achter Paranoid Park loopt. Hij heeft niemand aan wie hij zijn
verhaal kwijt kan, en dus begint hij, op aanraden van een vriendin
die aanvoelt dat er iets serieus mis is, zijn verhaal op te
schrijven.

Maar dat doet hij niet zomaar – “Het spijt me dat ik de
gebeurtenissen een beetje door elkaar haal,” horen we hem zeggen op
de voice over, “ik ben nooit zo goed geweest in creatief
schrijven.” In navolging van zijn drie vorige films – de zogenaamde
trilogy of death, die bestaat uit ‘Gerry’, ‘Elephant’ en ‘Last Days’ – heeft Van
Sant immers een volstrekt subjectieve film willen maken van
‘Paranoid Park’. Dat houdt in dat de chronologie van het verhaal
flink door elkaar wordt gehaald, naargelang de verwarde,
panikerende geest van Alex het zich herinnert. Alex schrijft alles
neer onder enorme stress, in een poging om het er allemaal uit te
krijgen. En dus slaat hij soms iets over om er dan later op terug
te komen, of herhaalt hij iets, of wijkt hij soms af van de
hoofdlijn van zijn verhaal om een terzijde in te lassen.
Begrijpelijk, gezien zijn situatie. Het is erg knap van Van Sant
hoe hij er in slaagt om zijn publiek nooit te verwarren, ondanks
die verhakkelde structuur. Omdat de plot als dusdanig eigenlijk
heel simpel is, kan hij best spelen met de tijdlijn zonder zijn
publiek kwijt te raken. De indruk die je krijgt, is dat dit een
soort van stream-of-consciousness-cinema is, waarin tempo,
structuur en toon gedicteerd worden door het personage dat het
verhaal vertelt.

Die subjectiviteit zet zich ook door in de manier waarop beeld
en geluid worden aangewend. Prachtige 35 millimeter shots (van
beeldkunstenaar Christopher Doyle), worden afgewisseld met
dromerige 8 millimeter beelden van skatende jongeren. Telkens
wanneer Alex zich een beeld probeert te vormen van een beter,
serener leven waarin hij zich gelukkig zou kunnen voelen, zakt de
film weg in zo’n poëtische skatesequens, korrelig gefilmd maar op
z’n eigen manier fantastisch mooi. Voor het geluid geldt hetzelfde:
omgevingsgeluiden worden luider of zachter weergegeven naargelang
Alex zich ervan bewust is (let op het immens harde lawaai van de
regen in een scène naar het einde van de film toe!), en ook de
muziek is strikt subjectief. De liedjes op de soundtrack vloeken
vaak enorm met de scènes waarop ze gebruikt worden, maar ze passen
altijd bij het emotionele leven van Alex.

Uiteindelijk wil Van Sant iets zeggen over het isolement dat je
kunt voelen wanneer er iets onomkeerbaars gebeurt. Als je een fout
maakt die je niet meer kunt goedmaken. Alex blijft continu onze
sympathie behouden omdat we weten dat hij het niet kwaad bedoelde,
maar hij zit daar wel met een torenhoog schuldgevoel waarmee hij
bij niemand terecht kan. En door dat voorval wordt hij zich bewust
van de banaliteit van de rest van zijn leven – zijn vriendinnetje
beschouwt het als een ongelooflijk avontuur om voor de eerste keer
seks te hebben (wat op haar leeftijd normaal gedrag is), maar Alex
is mentaal met andere dingen bezig. Kort daarna verbreekt hij dan
ook de relatie – wie ligt er nu wakker van seks als je mede
verantwoordelijk was voor de dood van een mens? Zijn ouders zijn zo
goed als onbereikbaar (hoewel ook zij het niet slecht met hem
voorhebben) en zijn vrienden… Goh ja, die zijn te druk bezig met
skaten of het citeren van one-liners uit ‘South Park’. Verlossing,
loutering, al die dingen die je in een andere film zou terugvinden,
zijn hier dan ook in geen velden of wegen te bekennen.

Van Sant werkte met een vrijwel geheel non-professionele cast
van tieners die hij vond via MySpace. Een gewaagde zet (nóg één),
maar wel eentje die goed uitpakt. Gabe Nevins kreeg van de
regisseur duidelijk de instructie om zo weinig mogelijk openlijke
emotie te tonen, en zijn onbewogenheid in het grootste deel van de
film suggereert het verdwaasde isolement dat hij ervaart. Van Sant
laat er trouwens bewust foutjes inzitten, inclusief versprekingen
op de voice-over, gewoon om ons nog meer het gevoel te geven dat we
diep in die jongen z’n kop zitten.

‘Paranoid Park’ is een nauwgezette observatie van de
pubercultuur, die soms, ondanks het sombere verhaal, zelfs erg
grappig weet te worden (na hun eerste vrijpartij belt Alex z’n
vriendinnetje ogenblikkelijk een vriendin op met de mededeling:
“We totally did it!”). Van Sant lijkt die jongeren en hun
wereldje te kennen, en hij oordeelt nooit. Hij begeeft zich op
hetzelfde terrein waar Larry Clark zijn hele oeuvre bij elkaar
heeft gefilmd, maar waar Clark enkel deprimerende vuiligheid vindt,
vindt Van Sant poëzie. Waar Clark nihilisme aan de dag legt, toont
Van Sant compassie. Structureel gewaagd, inhoudelijk rijk en
vormelijk om duimen en vingers bij af te likken. Een
must-see.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − vier =