Streets of Fire




Ik geloof niet dat er een grotere sucker bestaat voor
eighties nostalgia dan ik. Ik loop zelf nog steeds rond in
een jeansvest vol patches, en al minstens drie relaties
zijn in het verleden stukgelopen omdat ik mijn vriendinnen steeds
verplichtte om hun kapsels tot hallucinante hoogtes te laten
groeien en epauletten te dragen. Maar zelfs bij mij houdt de
waanzin wel érgens op, en Walter Hills kitschfestijn ‘Streets of
Fire’ vertegenwoordigt toch een grens waar ik absoluut niet
overheen wil gaan. Hill was goed bezig aan het begin van de jaren
tachtig, met het ijzersterke ‘Southern Comfort’ en vervolgens het
immens populaire ’48
Hours’
. Wat hem ooit bezield heeft om dit schreeuwlelijke
wangedrocht in elkaar te steken, zal altijd één van de grote
vraagtekens uit de hedendaagse cinema blijven.

Het verhaal kondigt zichzelf aan als een rock and roll
fable,
en speelt zich dan ook af in another time and
another place.
In een decor dat vaag aan New York doet denken,
vechten enkele rivaliserende motorbendes een verbeten strijd uit.
Raven Shaddock (Willem Dafoe), de leider van The Bombers, besluit
om de populaire zangeres Ellen Aim (een jonge Diane Lane) te
ontvoeren. Met die ontvoering heeft hij geen specifiek doel,
behalve dan dat Aim goed voorzien is van oren en poten, maar over
banale dingen als een verhaal hoef je echt niet wakker te liggen.
Haar ex-vriend Tom (Michael Paré) is niet bijster gelukkig met de
kidnapping en besluit, niettegenstaande de risico’s voor zijn
kapsel, om haar terug te gaan halen. Daarbij wordt hij geholpen
door Aims huidige vriend, gespeeld door een wezelachtige Rick
Moranis, en door McCoy (Amy Madigan), een personage dat min of meer
vanuit het niets opduikt en dan maar beslist om mee te zeulen met
de hoofdpersonages.

Dat verhaal is zo anorexisch dat zelfs Jessica Simpson er moeite
mee zou hebben, maar ‘Streets of Fire’ pretendeert dan ook op geen
enkel moment dat het om het verhaal gaat. Het draait hier immers
van begin tot eind rond de setting die Hill gecreëerd heeft, een
volstrekt artificiële mix van stijlinvloeden uit de jaren vijftig
en de jaren tachtig. Op de mean streets van deze film vind
je overal neonlichten en liggen er altijd plassen, ook al regent
het eigenlijk nooit. De motorbendes lijken weggelopen uit films als
‘The Wild One’, die iconische rebellenfilm met Marlon Brando, en de
interieure decors roepen herinneringen op aan ‘Happy Days’. De
muziek is dan weer onversneden eighties kitsch, met poppy
deuntjes die soms zelfs – excuseert u mij terwijl mijn maag even
omdraait – Cyndi Lauper in gedachten brengen. En ook de personages
zelf zijn weinig meer dan bizar gestileerde marionetten, die
ontworpen zijn om bij het decor te passen. Zo is Tom de typische
rebel-met-een-stoppelbaardje-en-een-bad-attitude, die
quasi-coole one liners de wereld instuurt, zoals: “The only
problem with kicking the shit out of you, is that it would be too
easy.”
Diane Lane krijgt weinig te doen als dame-in-nood,
behalve dan fotogeniek in nood te liggen wezen en aan het begin en
eind van de film een absoluut gruwelnummer op onze trommelvliezen
af te sturen. En dan is er nog Willem Dafoe, die hier een
afstraffing krijgt van de afdelingen kostuums en make-up waar je
jaren later nog zwetend wakker van kunt worden: met z’n bleke
schmink, de emmers gel in zijn haar en zijn leren vest, lijkt hij
wel een vampier in ledernicht-outfit. Alle bikers in ‘Streets of
Fire’ doen overigens verdomd denken aan de cast van ‘Grease’,
mochten die ooit in een pissige puberteit zijn verzeild
geraakt.

Die wereld van ‘Streets of Fire’ valt moeilijk te beschrijven
als je ‘m niet met je eigen ogen gezien hebt, maar beeldt u zich
even zo’n fout winkeltje in, waar ze nog van die handen verkopen
waar je op kunt gaan zitten, en art deco-spulletjes. En
beeld je nu in dat de hele film zich in die winkel afspeelt. Dan
heb je een idee van wat het is: kitsch en mottigheid alom, maar het
is specifiek om die kitsch te kunnen creëren dat de film ooit is
gemaakt.

In die zin zou je zelfs kunnen zeggen dat ‘Streets of Fire’ de
cinema van Tarantino anticipeert. Het is zeker een postmoderne
prent, met zijn non-stop referenties naar films en stijlen uit het
verleden, en in de bewust fake sets en dialogen. Maar waar
de meeste Tarantinofilms ook op zichzelf de moeite van het bekijken
waard waren, omdat er nog steeds een boeiend verhaal werd verteld
met interessante personages, krijg je hier absoluut niks in ruil
voor je bereidwilligheid om mee te gaan in het concept. Een plot is
er niet, personages die naam waardig ook niet, en wat meer is, er
is geen seconde in ‘Streets of Fire’ die niet vals en geforceerd
aanvoelt. Onder het exterieur van gladde postmoderne cleverheid zit
geen hart of ziel. De film is een confectie, een machine die enkel
dient om zichzelf negentig minuten lang in leven te houden en
vervolgens, pal nadat het laatste frame over het scherm is
geflikkerd, ogenblikkelijk te verdampen.

De acteurs zijn niet verantwoordelijk voor de flop die ‘Streets
of Fire’ is, maar helpen doen ze ook niet. Michael Paré ziet er uit
als een fotomodel voor een shampoomerk en speelt zijn rol dan ook
met een overtuigingskracht die navenant is. Hij levert een
frustrerend eentonige vertolking, alsof hij zijn replieken
letterlijk telefoneert vanop de andere kant van de wereld, waar het
al laat is en tijd om te gaan slapen. Diane Lane zou zich later nog
ontwikkelen tot een tamelijk grote madame, maar hier moet
ze – tijdens de weinige screentime die ze krijgt – met
domme reeënogen in de lens kijken en met nauwelijks verholen
histigheid de soepele moves van Paré gadeslaan. Rick
Moranis doet wat hij altijd doet (of wat hij toch zeker altijd deed
in die tijd) en is genietbaar zonder meer. Willem Dafoe maakte na
‘Streets of Fire’ genoeg goeie films om me te doen vergeten dat hij
hier ooit in is opgedoken.

Films die een heel eigen wereld creëren, los van de
werkelijkheid, kunnen erg interessant zijn, maar hier raakt Walter
Hill niet verder dan het curiosum van zijn experiment. Je kijkt
naar de sets, je kijkt naar de kostuums en je luistert naar de
muziek – je let op al die filmische elementen, die normaal gezien
gebruikt worden om een verhaal mee te vertellen. Hier is dat niet
het geval – die elementen staan op zichzelf, ze zijn het hele punt
van de film. Maar ten eerste kan het je allemaal geen lor schelen,
en ten tweede zijn de sets kitscherig, de kostuums lachwekkend en
de muziek om onpasselijk van te worden. Dus waar zit nog de
bestaansreden? ‘Streets of Fire’ voelt aan als een experiment
waarvan de regisseur gewoon eens wou testen wat de uitkomst zou
zijn. En hij is het te weten gekomen – een flop.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 12 =