Southern Comfort




Iemand zou echt eens moeten werken aan het imago van het zuiden
van de VS. Ga maar eens na: wanneer zie je eens een
Southerner in een film, zonder dat het gaat om een zwaar
door inteelt aangetaste hillbillie, een debiele wapengek,
een extreemrechtse schertsfiguur of een bible thumping
predikant? Gedeeltelijk is dat misschien hun eigen schuld (ze
moeten maar niet zo graag met hun zusters willen slapen), maar er
moet toch ergens een lobbyist zonder werk zitten om die klus eens
op zich te nemen? ‘Southern Comfort’, een actiethriller van Walter
Hill uit 1981, is een goed voorbeeld van de bad rep die
het diepe zuiden regelmatig krijgt: in de moerassen van Louisiana
jaagt een stel gesjeesde Cajuns een regiment verloren gelopen
soldaten op. Het enige dat er nog aan ontbreekt, is het getokkel op
de banjo.

Het verhaal speelt zich af in 1973, tijdens de laatste
stuiptrekkingen van de Viëtnamoorlog. In Louisiana verzamelt de
nationale reserve zich voor een trainingsweekend, diep in de
bayou. Voor de gelegenheidssoldaten is deze tweedaagse
drill voornamelijk een plezieruitstapje, weg van hun werk en
familie, en we treffen hen aan het begin van de film als
jongens-onder-elkaar. Ze voelen zich stoer in hun uniform en met
hun wapens (oké, ze krijgen dan wel alleen maar losse flodders om
af te schieten, maar toch), en ze zijn klaar om zich te amuseren.
Totdat de mannen van B Company de fout maken om de kano’s van de
plaatselijke bevolking te pikken, opdat ze sneller aan de overkant
van een moeras zouden raken. De Cajuns kunnen daar niet mee lachen,
en wanneer ze door één van de soldaten ook nog eens beschoten
worden met nepkogels, hebben ze helemààl de pest in. De Cajuns
beginnen de soldaten te achtervolgen, en één voor één,
systematisch, uit de weg te ruimen. De mannen van B Company,
verdwaald in de bayou, in paniek en zonder echte wapens,
proberen nu wanhopig om hun weg uit de moerassen te vinden.

Dat verhaal roept sterke herinneringen op aan ‘Deliverance’,
waarin een groepje stadsmussen ging raften over een wilde
rivier en belaagd werd door venijnige boerenpummels. En dat soort
vergelijkingen gaan voor een stuk inderdaad op: opnieuw krijg je
een groepje mannen die zich met de nodige arrogantie in een wereld
storten waar ze niet thuis zijn. En opnieuw wordt die mentaliteit,
die gedachte “wij zijn intellectuelen van de grote stad en jullie
maar onnozele plattelanders”, genadeloos afgestraft. De soldaten
van B Company plensen zelfgenoegzaam door de moerassen, respecteren
niets of niemand en kijken neer op de plaatselijke bevolking. Ze
spelen de stoere soldaat, maar als het er op aankomt zijn ze niet
voorbereid op echte vijandigheden. De wapens die ze bij hebben,
zijn nutteloos.

Maar waar John Boorman in ‘Deliverance’ ideeën bestudeerde over
cultuur versus natuur, over de stad versus de wildernis, maakt
Walter Hill in ‘Southern Comfort’ eerder een analogie met
Viëtnamoorlog. Ook daar zag je typisch Amerikaanse arrogantie aan
het werk: de beschaafde Amerikaan zou de primitieve Viëtnamees wel
eens even een lesje leren. Maar ook dat is anders uitgepakt.

Nog een verschil tussen beide films, is dat in ‘Deliverance’ de
locals expliciet getoond werden – de vijand was zichtbaar,
we wisten tegen wie de hoofdpersonages het moesten opnemen. In
‘Southern Comfort’ daarentegen, zie je de Cajuns nauwelijks. We
zien de vallen die ze achterlaten voor de soldaten, we zien kogels
vliegen en zelfs pijlen door de lucht klieven, maar voor de rest
zijn ze een ongeziene aanwezigheid, die zich altijd schuilhoudt in
de bossen en zelden wordt waargenomen. Het gevolg daarvan is dat de
spanningen tussen de soldaten zelf centraal komen te staan. Onder
de druk van die onzichtbare vijand keren de reserves van B Company
zich al gauw tegen elkaar, naargelang onderhuidse spanningen aan de
oppervlakte komen. ‘Southern Comfort’ heeft meer dan genoeg
momenten van all-out actie, maar een groot deel van de
suspense is psychologisch: hoe gaan de soldaten om met de
wetenschap dat ze achterna worden gezeten door mensen die het
terrein veel beter kennen dan zij, en waarschijnlijk beter bewapend
zijn?

Dat alles leidt tot een soms ongemeen spannende,
claustrofobische thriller, met een aantal briljant geënsceneerde
momenten: let op een scène waarin het hutje van een gevangen
genomen Cajun wordt opgeblazen (een overduidelijke referentie naar
Viëtnam), of op de finalesequens, een nagelbijter van een afsluiter
die je een kwartier lang op het puntje van je stoel houdt.

Hill vond voor zijn cast een resem jonge mannen die later zouden
uitgroeien tot gerespecteerde karakteracteurs: Keith Carradine is
goed als soldaat-eerste klas die plots de leiding op zich moet
nemen, maar het zijn Fred Ward en vooral Powers Boothe die de show
stelen. Net zoals alle films van Walter Hill, is ook ‘Southern
Comfort’ onvervalste ventencinema, en zowel Ward als Boothe
verpersoonlijken dat idee hier grandioos, zonder te vervallen in
het andere uiterste en een macho-karikatuur te worden. De
personages hier hebben wel degelijk hun kwetsbare kanten en hun
gevoelige plekjes, maar camoefleren die extra laag onder een
onbewogen exterieur. En zo hoort het ook, in dit soort film. Wat
wel jammer is, is dat de personages als individuen niet altijd even
sterk uit de verf komen. Ze zijn te nadrukkelijk geschreven als
types – de volgeling die plots een leider moet worden, de zwijgzame
held, de flauwe plezanterik, de stille die doortrapt en ga zo maar
door – en iets te weinig als afzonderlijke mensen. De acteurs
compenseren dat gedeeltelijk, maar het blijft mechanisch
overkomen.

‘Southern Comfort’ is sowieso één van Hills beste films, waarin
zijn traditionele fascinatie met de testosteroncultuur (mannen,
wapens, geweld, hoo-hah!) wordt gekoppeld aan boeiende
thema’s en een strakke uitvoering. Hij zou dat niveau later niet
vaak meer halen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − 3 =