The Fisher King




Zelfs de meest extravagante regisseurs komen wel eens een moment
in hun carrière tegen wanneer ze weten dat ze het even kalm aan
moeten doen. Voor Terry Gilliam kwam dat moment er na ‘Baron
Munchausen’, een peperdure productie die, mede door toedoen van de
studio, op een financieel fiasco uitdraaide. De publieke perceptie
was dat Gilliam zelf verantwoordelijk was voor het falen van de
film: zijn visie zou te groots zijn geweest, hij zou geen
compromissen hebben willen sluiten en gewoon in het algemeen de
onbuigzame, nukkige artiest hebben uitgehangen. Voor zijn volgende
project stelde hij zichzelf dan ook bescheiden doeleinden: hij
wilde andermans scenario maken, op tijd en binnen het budget, al
was het maar om te bewijzen dat hij daartoe in staat was. En het
lukte hem – ‘The Fisher King’, geschreven door Richard LaGravenese,
was de eerste film die Gilliam regisseerde zonder bij het
schrijfproces betrokken te zijn geweest. Het werd zijn meest
succesvolle tot dan toe, en de reputatie van de regisseur was
(althans weer voor een tijdje) hersteld. Het enige dat echt vreemd
is aan dat verhaal, is hoe typisch voor Gilliam ‘The Fisher King’
wel lijkt te zijn. Hoewel hij er pas in een relatief laat stadium
bij betrokken raakte, zit de prent alweer tsjokvol met thema’s en
ideeën die de filmmaker al jaren lang obsedeerden. Mythologie, de
verhouding tussen realiteit en fantasie, tussen normaal gedrag en
waanzin, tussen verschillende lagen van de samenleving… Als ‘The
Fisher King’ geen Terry Gilliamfilm was toen het draaien begon, dan
was het er zeker één tegen de tijd dat hij uitkwam.

Jeff Bridges speelt Jack Lucas, een Howard Stern-achtige
shock DJ die in New York elke ochtend enkele weerloze
bellers te kakken zet op de radio. Nadat hij tegen één van die
bellers een tirade afsteekt over yuppies, heeft zijn cynisme echter
onverwachte gevolgen: de man, een eenzame sukkelaar die alleen via
het programma van Jack echt contact had met de buitenwereld, neemt
een geweer en opent het vuur in een yuppie-café. Door het
schuldgevoel sukkelt Jack in een bezopen depressie die drie jaar
aansleept. Hij raakt aan lager wal, maar net wanneer hij er serieus
aan denkt om er een einde aan te maken, ontmoet hij Parry (Robin
Williams), een duidelijk gestoorde, maar verder schijnbaar vrolijke
zwerver die zichzelf een ridder op een queeste waant. Jack wil
Parry aanvankelijk zo snel mogelijk afschudden, tot hij ontdekt hoe
Parry z’n verstand verloor: zijn vriendin werd voor zijn ogen
neergekogeld door de yuppiemoordenaar van Jacks programma. Jack
voelt zich dan ook verplicht om Parry te helpen.

Zoals elke Gilliamfilm, behandelt ‘The Fisher King’ een aantal
verschillende thema’s, die regelmatig in elkaar overvloeien, maar
de belangrijkste is waarschijnlijk de manier waarop mensen staan te
springen om toch maar te kunnen conformeren aan alle anderen. We
ontmoeten Jack als een smeerlap eerste klas, die in zijn
radioprogramma uitsluitend mensen aan het woord laat die zich
gemakkelijk laten uitlachen of vernederen: mensen die eenzaam zijn,
traag zijn, niet goed kunnen praten of net iets ergs hebben
meegemaakt. Kortom: mensen die anders zijn. Zelf behoort hij tot de
garde van geslaagde mensen: hij heeft een radioprogramma, staat op
het punt om zijn laatste restje integriteit met de glimlach
overboord te gooien om in een lamlendige sitcom mee te
spelen, woont in een koud, kil en peperduur appartement, heeft een
koude en kille vriendin die bij zijn interieur past enzovoort. Hij
speelt het spelletje mee, hij streeft naar succes zoals de
maatschappij dat concept definieert. Tot het misloopt – na de
tragedie belandt hij plots aan de andere kant van het spectrum, bij
de mensen die hij eerder over de radio uitlachte. En het is daar,
van hen, dat hij zijn vergiffenis zal moeten vinden voor wat er
gebeurd is.

Parry, daarentegen, leeft volgens niemand z’n regels – de moord
op zijn vriendin heeft hem teruggedrongen in een hoekje van zijn
geest waar hij zich veilig voelt. Hij is misschien gek, maar hij is
een individu. Hij leeft in zijn eigen versie van de realiteit in
plaats van de versie van andere mensen na te jagen, en het is pas
wanneer Jack (spoiler, spoiler) aan het einde leert om daarin mee
te gaan, om mee te spelen met de illusies van Parry, dat hij
verlossing vindt. Zoals wel meer films van Terry Gilliam, is deze
een pleidooi voor het individu tegenover de grijze massa. Parry
leeft in zijn privé-realiteit en ziet de wereld zoals hij ze zelf
ziet. Jack leeft in de grote wereld en ziet de wereld zoals anderen
zeggen dat hij ze moet zien. Wie is er dan het gekst?

Er zit nog meer in ‘The Fisher King’ – veel meer. De film is
namelijk ook een soort van reflectie op verantwoordelijkheid: in
welke mate waren de moorden Jacks schuld? Hij loopt in ieder geval
met dat gewicht rond en met de drang om het goed te maken. Om,
zoals hij zelf zegt, “de boete te betalen en naar huis te gaan.” En
dan is er ook nog de kwestie van de daklozen, mensen die we
nauwelijks zien, maar die altijd wel in de marges van ons zichtveld
rondlopen. Zijn we voor hen verantwoordelijk? En als dat dan zo is,
waarom negeren we hen dan? Boeiende vragen, die in een uitbundige
film worden gestoken.

Gilliam heeft zich immers visueel niet ingehouden: ‘The Fisher
King’ barst van de extreme close-ups en groothoeklenzen die het
beeld vervormen, om nog maar te zwijgen van de gestileerde
belichting (dat gebruik van spotlights om silhouetten te creëren!).
Bizarre vondsten zoals een boze rode ridder die de herinnering van
Parry aan de realiteit symboliseert, een luidkeels zingende
travestiet en een druk station waar plots door een 500-tal mensen
een wals wordt gedanst, zijn kenmerkend Gilliam. ‘The Fisher King’
is een film die lééft, die barstensvol ideeën en creativiteit zit,
die beweegt en visueel soms in de richting van het surrealisme
neigt. En hoewel het soms allemaal wat te veel dreigt te worden (de
film duurt 137 minuten, maar had er gerust 20 mogen verliezen),
blijft het een feest van spitsvondigheid.

Robin Williams kreeg het meeste lof voor zijn vertolking van
Parry, voornamelijk omdat het de rol was die het meest opviel
(William springt dan ook weer over het scherm als een
Duracellkonijn). Maar het is Jeff Bridges die de film verankert en
er zijn emotionele impact aan geeft. Het is zijn mentale reis die
je volgt, en Bridges gidst ons moeiteloos door de film. Een scène
aan het begin, waarin hij in beschonken toestand een babbeltje
slaat met een Pinocchio-pop, toont een staaltje fenomenaal
acteerwerk.

‘The Fisher King’ was de film waarmee Gilliam weer wat krediet
wist op te bouwen binnen het Amerikaanse filmsysteem (niet dat dat
permanent zou voortduren). Bijna zonder dat het de bedoeling was,
werd het toch weer een persoonlijke film, die de stempel van de
regisseur continu met zich meedraagt. En ja, dat is iets om blij
voor te zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + elf =