Time Bandits




Terry Gilliam werd echt volwassen als onafhankelijke regisseur
toen hij in 1981 ‘Time Bandits’ maakte. Zijn enige soloproject
hiervoor, ‘Jabberwocky’, stond nog sterk in de schaduw van zijn
werk met Monty Python (in die mate zelfs dat de prent tot op heden
vaak onterecht wordt aanzien voor een Pythonfilm). In ‘Time
Bandits’ daarentegen, begon de bevlogen, obsessieve, soms
uitputtende, soms geniale regisseur waar Gilliam zich tot zou
ontwikkelen, duidelijk naar voren te komen. Een paar van zijn vaste
stokpaardjes zijn al aanwezig: een fascinatie met de kindertijd, en
een eigenzinnige blik op de relatie tussen dromen en werkelijkheid.
De regisseur zelf beweert dat hij ‘Time Bandits’ maakte in
afwachting van ‘Brazil’, omdat het zo moeilijk was om daar geld
voor te vinden, maar het resultaat lijkt allesbehalve op een
betekenisloze vingeroefening. Integendeel, de persoonlijkheid van
de filmmakers valt in elke seconde terug te vinden.

De plot draait rond de elfjarige Kevin (Craig Warnock), een
jongen die niet echt lijkt te passen in zijn gezin. Terwijl zijn
ouders continu naar televisie kijken en bezeten zijn door hun
bezittingen (de vraag wie nu de beste blender van de buurt heeft,
is schijnbaar van levensbelang), leest hij over helden van vroeger
en fantaseert hij een leven bij elkaar dat veel spannender is dan
de banaliteit van thuis. Op een avond komen zijn wildste dromen
uit: een bende dwergen komt plotseling uit de kast in zijn
slaapkamer gelopen. Zij zijn de time bandits: vroegere
hulpjes van God himself, die een kaart in handen hebben
gekregen waarop gaten in de tijd afgebeeld staan. De dwergen
gebruiken de kaart nu om van het éne tijdvak naar het andere te
spurten, waar ze dan zoveel stelen als ze kunnen. Willen of niet,
wordt Kevin door heen meegetroond op hun rooftochten. Ze ontmoeten
Napoleon, Robin Hood en Agamemnon, vooraleer ze terecht komen in
een ultieme confrontatie tussen God en de duivel.

In wezen is ‘Time Bandits’ dus gebaseerd op een heel simpele,
maar daarom niet minder briljante pitch: het gegeven van
de gaten in de tijd staat de hoofdpersonages toe om willekeurig in
tijd en ruimte te manoeuvreren. En dat geeft de scenaristen
(Michael Palin schreef de film samen met Gilliam) de kans om à
la carte
te kiezen uit historische periodes en zelfs
mythologische figuren die tot hun verbeelding spraken. Ze waren
door niets gebonden, en die vrijheid is voelbaar. Gilliam en Palin
amuseren zich merkbaar door van Napoleon (een schitterende Ian
Holm) een gefrustreerd klein opdondertje te maken (I want to
see little things hitting each other!)
en van Robin Hood een
grensverleggend fatterige blaaskaak (jolly, jolly good!).
Later in de film zien we zelfs een kleinzerige oger die bemoederd
wordt door zijn echtgenote en woont in een schip waar geassorteerde
lichaamsdelen aan touwtjes aan het plafond hangen. Waarom ook niet?
De premisse van ‘Time Bandits’ laat al die verschillende dingen
toe, zonder dat het geforceerd of over de top gaat lijken. Een
teken dat het een verdomd goeie premisse is.

Maar de uitwerking daarvan werkt ook op een dieper niveau dan
enkel dat van de pure fun. Eén van de basisconflicten in
de film is die tussen de wereld van Kevin en de wereld die zijn
ouders bewonen. Zijn ouders zijn de ultieme consumenten, die hun
status in de wereld afmeten aan de spulletjes die ze in huis
hebben. Hun zetels zijn in plastic gewikkeld, opdat ze toch maar
niet zouden verslijten, en de conversaties die ze voeren gaan
altijd over de (meestal elektrische) toestellen die ze zelf hebben
of die de buren hebben staan. Het belangrijkste is niet dat die
technologie gebruikt wordt om op de één of andere manier het leven
te verrijken of te vereenvoudigen – het gebruik ervan is het minste
van hun zorgen, zo lang ze het maar hébben. Kevin daarentegen is
een romantische ziel, die droomt van helden op paarden, van grootse
avonturen. Naïef, misschien, maar het is in ieder geval
waardevoller dan de oppervlakkigheid van zijn ouders. ‘Time
Bandits’ werd gemaakt door een Terry Gilliam die nog optimistisch
genoeg was om te geloven dat de romantische zielen soms kunnen
winnen, en het einde is er dan ook naar.

Dat conflict wordt ook erg beïnvloed door de tijd waarin ‘Time
Bandits’ verscheen. Margaret Thatcher was enkele jaren eerder aan
de macht gekomen, en Engeland maakte een ruk naar rechts mee. Als
reactie op de economische malaise in Groot-Brittannië van vóór de
verkiezing van Thatcher ontstond er een ongebreideld kapitalisme,
en een scherpe tegenstelling tussen een wij-groep (mensen die
financieel sterk stonden en waarde hechtten aan bezit) en een
zij-groep (alle anderen: lower class-mensen,
buitenlanders…). Je werd gedefinieerd door wat je had, door je
plek op de economische ladder, en ‘Time Bandits’ is gedeeltelijk
Gilliams reactie tegen die manier van denken. Het is ook geen
toeval dat de duivel (gespeeld door David Warner) het universum wil
veroveren op God, enkel om er een hoogtechnologische hel van te
maken. God creëert het universum, zegt hij, en wat
maakt hij? Konijntjes. Ik zou zijn begonnen met lasers, vanaf de
eerste dag!
De hel is een plek waar geen plaats is voor
fantasie of leven, maar enkel voor dingen, machines, spulletjes die
gebruikt worden om te definiëren wie je bent en waar je staat.

Daarmee klinkt de film waarschijnlijk weer serieuzer dan hij
eigenlijk is, want op een eerste niveau is en blijft ‘Time Bandits’
natuurlijk gewoon een bijzonder geestige jeugdfilm. De situaties
zijn vaak heerlijk in scène gezet (Michael Palin en Shelley Duvall
als zeemzoeterige geliefden, geweldig!) en de wisselwerking tussen
Kevin en de time bandits (kleine kereltjes maar ook gewoon
enorme eikels) levert een krachtige motor voor de hele film.
Gilliam heeft hier waarschijnlijk de eerste en enige film gemaakt
waarin dwergen worden opgevoerd als volwaardige personages, die
niet volledig bepaald worden door hun lengte – oké, ze zijn klein,
maar ze zijn allesbehalve sympathiek. Het gekibbel tussen hen en
Kevin levert een paar van de leukste momenten in de film.

De special effects zijn (wellicht onvermijdelijk) verouderd naar
de huidige standaards, en de finale sleept ontegensprekelijk te
lang aan – een dikke twintig minuten, dat is er een beetje over,
ook al strijd je dan tegen Satan. Maar dat doet niets af aan de
intelligente, grappige en verfrissende jeugdfilm die ‘Time Bandits’
nog steeds is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − 2 =