Bridge to Terabithia




Zelden heb ik zo’n bedrieglijke promotiecampagne aan het werk
gezien als nu, voor ‘Bridge to Terabithia’. De trailers en posters
beloven ons een fantasy-achtig avontuur in een imaginair landschap,
gelijkaardig aan ‘The
Chronicles of Narnia’
verleden jaar – vreemde wezens, grootse
avonturen. Aan de logica van die commerciële strategie valt niet te
twijfelen. Fantasie verkoopt nu eenmaal. Maar de teleurstelling bij
de meer sensatiebeluste koters dreigt groot te zijn wanneer ze
ontdekken wat ‘Bridge to Terabithia’ écht is: een droef,
nostalgisch verhaal over kinderen die hardnekkig vasthouden aan hun
onschuld en jeugd. Er zitten fantasy-elementen in, ja,
maar die worden enkel aangewend als hulpmiddelen om een ander
verhaal verteld te krijgen. Regisseur Gabor Csupo, die z’n strepen
verdiende met afleveringen van ‘Rugrats’ en ‘The Simpsons’, is niet
geïnteresseerd in faunen, leeuwen of tovenaars, maar probeert
voorzichtig door te dringen tot de gevoelswereld van twee jonge
tienertjes. Met wisselend succes: ‘Bridge to Terabithia’ is niet
altijd even overtuigend, maar bevat meer dan genoeg boeiende
elementen om ook volwassenen moeiteloos bij de les te houden.

Jesse (Josh Hutcherson) is een introvert jongetje dat het
moeilijk heeft: zijn ouders hebben het niet breed, op school wordt
hij gepest omdat hij niet duur genoeg gekleed gaat, en zijn passie
voor tekenen wordt door zowat niemand gewaardeerd. Tot Leslie
(AnnaSophia Robb) in zijn klas terecht komt, een wervelwind van een
meisje waarmee hij al gauw bevriend raakt. De twee ontsnappen aan
de pijn van het anders zijn door in het bos achter Jesse’s huis hun
eigen magisch koninkrijk te stichten: Terabithia.

En daar is het dus dat het grootste misverstand rond de film
ontstaat: Terabithia wordt op geen enkel moment aan de kijker
gepresenteerd als een reële plek. Het is een fantasiewereld die de
kinderen zelf creëren en waar ze naartoe vluchten wanneer de
realiteit wat al te lelijk wordt. Af en toe zien we de verzinsels
van Jesse en Leslie tot leven komen, met gemene, grote eekhoorns
die vaag lijken op de pestkoppen die hen lastig vallen op school.
Maar die scènes zijn kort en het blijft altijd duidelijk dat ze
niet echt zijn.

Het thema waarover Gabor Csupo het wil hebben, is niet nieuw: in
principe is dit een coming of age-drama, waarin wordt
gesuggereerd dat volwassen worden zo pijnlijk is dat het echt geen
kwaad kan, en zelfs broodnodig is, om ergens in jezelf een plekje
uit te kerven waar je altijd kind blijft. Klinkt melig? Misschien,
maar het wordt wel met een verrassende gevoeligheid aan de man
gebracht in de film. Tijdens één scène zien we de ouders van Jesse
aan tafel zitten terwijl de kinderen tv kijken. Stilletjes
bespreken ze de financiën: ze hebben het niet makkelijk. Plotseling
maken Jesse en zijn vader oogcontact, en de vader beseft op dat
moment, misschien voor de eerste keer, dat zijn zoon stilaan groter
begint te worden en doorheeft wat voor problemen zijn ouders
hebben. Dat is een subtiel momentje, dat hoop en al tien seconden
duurt, maar toch enorm veel zegt over de personages. Ook de
wreedheid van de pestjong op school is opvallend geloofwaardig:
misschien dat schoolkinderen tegenwoordig groffer gebekt zijn dan
de exemplaren die we in deze familiefilm zien rondlopen, maar de
manier waarop ze ogenblikkelijk je zwaktes opsporen en uitbuiten,
is goed getroffen.

Daar tegenover staan dan de uitstapjes van Jesse en Leslie naar
Terabithia, waar ze nooit een rekening zullen moeten betalen en
nooit een pestkop zullen tegenkomen. Aanvankelijk lijkt het alsof
Csupo niet helemaal weet hoe ver hij mag gaan in z’n
fantasie-scènes: hij wilde duidelijk niet dat de CGI z’n prent zou
overnemen (zeer verstandig van ‘m), maar anderzijds was het wél
nodig om hier en daar te tonen wat de kinderen zich inbeelden
tijdens hun spel. De regisseur wordt schijnbaar zelfverzekerder in
z’n mengeling van realiteit en fantasie naarmate de film vordert,
maar in het begin wérkt het niet helemaal. De eerste keer dat we de
boze eekhoorns te zien krijgen, zijn ze zelfs eerder lachwekkend
dan dreigend.

Zo zijn er nog wel individuele scènes die uit de toon vallen:
Jesse helpt Leslie en haar ouders bij het schilderen, wat om
onverklaarbare redenen meteen een aanleiding is om een dansje te
doen (God help ons!). Ook een nevenplot waarin de vrouwelijke
tegenhanger van de school bully haar goed hart toont, is
niet helemaal geloofwaardig, en dan is er nog Zooey Deschanel (uit
‘Almost Famous’),
die met haar rol van muziekleerkrachte teleurstellend weinig te
doen krijgt.

Maar dat soort bezwaren zijn eigenlijk weinig meer dan
kanttekeningen, omdat het hart van de film toch in de relatie
tussen Jesse en Leslie ligt. En die relatie is – noem me gerust een
sentimentele zak als je wilt – meeslepend, en zelfs aangrijpend.
AnnaSophia Robb (eerder al in ‘Charlie and the Chocolate
Factory’
) is een frisse verschijning die af en toe een beetje
over de top gaat wanneer het scenario van haar verlangt om
enthousiast te wezen, maar zoals de Amerikanen dat zouden zeggen:
the camera loves her. Ze straalt gewoon een ongelooflijke
spontaniteit uit. Josh Hutcherson doét minder, maar acteert
eigenlijk beter. Het kan natuurlijk aan de regisseur liggen, maar
Hutcherson lijkt te weten dat je niet elke emotie open en bloot op
je gezicht hoeft te leggen. Hij is stilletjes aanwezig en bouwt
écht een personage op. De Jesse aan het einde van de film is een
andere jongen dan die aan het begin van het verhaal, en Hutcherson
is toch maar degene die die transformatie geloofwaardig moet maken.
Samen zorgen Hutcherson en Robb ervoor dat ‘Bridge to Therabithia’
een warm, kloppend hart krijgt, dat er bij big budget
prefab-kinderavonturen als ‘Chronicles of Narnia’
vaak aan ontbrak. (Het helpt trouwens dat de twee er effectief
uitzien als kinderen, in tegenstelling tot freaks of
nature
als Dakota Fanning, van die griezelige mini-volwassenen
die werden geboren met een eigen visagiste en een advocaat handig
gelokaliseerd aan de uitgang van de baarmoeder).

Ik schrok er echt van hoe betrokken ik zelf raakte bij dat
verhaal – tegen het einde krijgen we een ingrijpende plotwending
(geen zorgen, ik droom er niet van ‘m te verklappen), die onder
andere omstandigheden manipulatief of goedkoop had kunnen lijken.
Maar zoals het is, werkt die twist in het verhaal wonderwel. Let
vooral ook weer op Hutchersons acteerwerk tijdens die scènes: hij
gaat nóóit over de top, blijft altijd subtiel.

Op die manier wordt ‘Bridge to Terabithia’ bovenal een
mooie jeugdfilm. Oké, er wordt niks in verteld dat we al
niet wisten en sommige scènes slaan een pijnlijk valse noot, maar
de manier waarop er met emoties wordt omgesprongen is bijzonder
knap gedaan en dan is er nog die plottwist, die quasi perfect wordt
uitgevoerd. Bastards, zó met een mens z’n gevoel spelen,
ze moesten zich schamen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + negentien =