Brett Anderson :: Brett Anderson

Ondanks de successen met zijn band Suede in de jaren ’90, hebben
wij Brett Anderson altijd één van de grootste enigma’s van de
Britpop gevonden. Over generatiegenoten als Jarvis Cocker, Damon
Albarn of zelfs de Gallagher Bros.
kwamen we af en toe nog wel eens iets te weten, maar Anderson
slaagde er steeds in afstand te houden en mist te spuiten rond zijn
eigen persoontje. Van zijn songteksten werd een mens ook niet
meteen wijzer, en op het podium speelde hij veeleer een rolletje,
dat van onbereikbare (glam)popgod. Het duurde zelfs tot de vijfde
en laatste Suede-cd eer we te horen kregen hoe Andersons stem echt
klonk, zonder duizend en één effectjes. En naarmate hij zich zelf
beter op zijn gemak scheen te voelen bij zijn ‘naakte’ stem,
verschool hij zich ook in zijn teksten steeds minder in achter
allerhande typetjes en personages. Op Here Come the Tears,
de plaat die hij opnam met ex-Suede gitarist Bernard Butler,
verwezen sommige songs al naar zijn privé-leven, echt openhartig
wordt Anderson pas op zijn eerste soloplaat. Die werd dan ook erg
toepasselijk… ‘Brett Anderson’ gedoopt.

De eerste geruchten over een soloplaat doken al snel op na de split
van Suede. Veel werd er niet over losgelaten (waarschijnlijk was er
ook nog niet veel over te vertellen), maar op diverse fora werd
geopperd dat het wel eens iets heel anders zou kunnen worden: een
eerder klassiek, door Frans chanson beïnvloed album, bijvoorbeeld,
of een zuivere elektronicaplaat. Het werd… voorlopig niks, want
vóór het zover was volgde de onverwachte (en kortstondige?)
verzoening met Bernard Butler in The Tears, een band die al na één
plaat op non-actief werd gezet. Deze keer besloot Anderson echter
niet te wachten tot één van zijn (gewezen) muzikale partners weer
eens zin had om de koppen bij elkaar te steken, maar trok hij met
goeie vriend en producer Fred Ball de studio in om eindelijk werk
te maken dat eerste soloalbum.
In interviews kan Anderson niet genoeg benadrukken dat dit wel
degelijk een échte soloplaat is, in tegenstelling tot die van
andere ‘illustere frontmannen’ die vaak een beroep doen op
gerenommeerde studiomuzikanten of songschrijvers met wie ze in het
verleden samenwerkten. De eerste promo’s (met hooguit vijf liedjes)
waren evenwel nog maar net wereldkundig gemaakt, of de botte bijl
werd al bovengehaald om brandhout te maken van Andersons songs en
zijn nieuwe, persoonlijke aanpak te ridiculiseren. Is dit album dan
echt een sof geworden en voerde Anderson werkelijk zo’n drastische
koerswijziging? Het antwoord is twee keer ‘nee’. ‘Brett Anderson’
zal inderdaad nooit uitgroeien tot een classic (maar er staan echt
wel erg knappe liedjes op), en wie destijds alles van Suede in huis
haalde zal zéker geen cultuurschok ondergaan.

De bombast van de grote dagen ontbreekt hier wel, net als de haast
euforische anthems met hun ‘we are the…’-refreinen. Maar
wat we wel horen zijn echo’s van de donker(der)e, tragere songs
waar Suede eveneens een patent op had op ‘Dog Man Star’ en zoals er
destijds een pak op hun niet te versmaden b-kanten belandden. De
nummers klinken niet alleen minder gezwollen, met de eerder sobere
arrangementen richt Anderson zich duidelijk op ‘verbruik in knusse
huiskamers’ (en kleinere concertzalen). Er is opvallend minder
gitaar te horen, het zijn vooral piano, keyboards en strijkers die
een prominente rol opeisen.

Van de elf tracks componeerde Anderson er drie zonder de helpende
hand van Ball: twee ervan (‘Intimacy’ en ‘Ebony’) zijn straf, de
derde is een regelrechte stinker: knap refrein, dat wel, maar de
gitaar (een kruising van iets van Zucchero met ‘Big Log’ van
Robert Plant)
verknalt bijna de hele song. Over opener ‘Love Is Dead’, een knappe
ballad, zijn we echter zeer te spreken, net als over het zoete One
Lazy Morning’. Ook sterk zijn het klagerige ‘The Infinite Kiss’
(waarin gitaren, strijkers en a-haa’s mooi door elkaar vloeien),
het warme ‘Colour of the Night’ (piano, cello en akoestische
gitaar) en ‘Song For My Father’, dat ook écht eindigt als een
treurlied.

Natuurlijk valt er het één en ander aan te merken op deze eerste
soloplaat. Er staan nummers die nooit een Suede- of Tears-plaat
zouden gehaald hebben en ook de productie is bij momenten veel te
vlak. Toch zijn wij nog altijd zo onnozel dat we een gat in de
lucht springen bij een nieuw teken van leven van een held. Wij
schieten bij deze dan ook weer in ons leer, want…

… Brett Anderson speelt op 24 april 2007 in de Botanique in
Brussel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 2 =