300




Na ‘Snakes on a
Plane’
krijgen we hier de tweede film in een jaar tijd die
aantoont dat de grens tussen de filmindustrie en het internet
steeds waziger wordt. Leverden de fanboys in het geval van ‘Snakes’
nog regelrechte bijdragen aan het scenario, dan profileerden ze
zich deze keer als efficiënte promotiemachine. ‘300’ werd zodanig
gehypet op fansites allerhande, dat de film al een evenement was,
lang voordat hij uitkwam. Zelfs de producenten geven toe dat de
internet-buzz een belangrijke reden is voor het
commerciële succes dat de film nu geniet. De reden voor die
waanzin? ‘300’ is gebaseerd op een graphic novel van Frank
Miller, auteur van het lichtjes fantastische ‘Sin City’, en werd
geregisseerd door Zack Snyder, die enkele jaren geleden een
mean motherfucker van een zombiefilm afleverde met
‘Dawn of the
Dead’
. Maar veel belangrijker dan dat waren de beelden die
zorgvuldig op het net gelekt werden door de studio: de tekeningen
van Miller werden nauwkeurig gerecreëerd in een CGI-landschap dat
nauwelijks te onderscheiden valt van een Playstation-spelletje. Op
die manier appeleert ‘300’ aan maar liefst vier soorten geeks:
comic book geeks, games geeks, internet geeks
én
geweldfilm-geeks. Zoveel nerd power, dat moést
wel een kassucces worden.

Als fenomeen is ‘300’ dus zeker interessant. Als film heel wat
minder. We krijgen hier de ‘He-Man’-versie van de slag om
Thermopylae in 480 voor Christus. Zoals het hier wordt uitgelegd,
waren de Spartanen destijds dé ultieme badasses van
Griekenland, die allemaal rondliepen met lijven van gewapend beton,
en wiens grootste wens het was glorierijk te sterven op een
slagveld naar keuze. Wanneer de Grieken worden aangevallen door de
Perzen, besluit de koning van Sparta, Léonidas (die van de
pralines, jawel, hier gespeeld door Gerard Butler), dat het tijd
wordt om zijn leger te verzamelen, maar de zieners die hem daarvoor
toestemming moeten geven, verbieden hem ten oorlog te trekken.
Onder een voorwendsel brengt Léonidas toch 300 Spartanen bij elkaar
om de legermacht van zo’n 250.000 Perzen tegen te houden aan een
smalle bergpas.

En dat is het eigenlijk wel zo’n beetje. Na pakweg 40 minuten
staan de Spartanen, kloeke borstkas vooruit, rode cape wapperend in
de wind, met de schilden voor zich uit in hun bergpas en daar
blijven ze dan voor de rest van de film. De Spartanen en de Perzen
bevinden zich in een patstelling en ook de film kan op dat moment
niet meer voor- of achteruit. Het laatste uur van ‘300’ is een
aaneenschakeling van veldslagen die aanvankelijk indrukwekkend
ogen, maar op den duur eerlijk gezegd een beetje gaan vervelen.
Léonidas grijnst maniakaal in de camera en grolt een one
liner
genre: “Tonight, we dine in hell!”, waarna
speren door vijandelijke lijven klieven, hoofden rollen en bloed in
slow-motion opspat. De eerste keer zit je dan als een twaalfjarig
jongetje jezelf te verkneukelen omdat dat zo cool is. De tweede
keer is het nog plezierig. De derde keer begin je al te denken:
“Oké, maar wanneer krijgen we nu iets anders?” En dan moeten de
vierde, vijfde en zesde keer nog komen.

Dat is het grootste probleem met ‘300’: je gaat kijken voor de
actie en die actie is cool tot op een bepaald punt. Maar eens dat
punt is bereikt, blijft de film nog een uur lang ter plaatse
trappelen. En op dàt moment laat het zich dus voelen dat er in
feite geen verhaal die naam waardig aanwezig is.

In Iran is er ondertussen controverse ontstaan over de manier
waarop de Perzen worden afgebeeld in ‘300’: een bloeddorstige,
decadente cultuur, gebaseerd op een slavensysteem. En inderdaad,
wie dat echt wil kan natuurlijk alweer politieke conclusies gaan
trekken uit regeltjes tekst als “voor vrijheid moet je vechten”.
Maar eender welke vergelijking met het Amerika van vandaag loopt al
snel mank: het Amerikaanse leger is niet bepaald een minderheid die
z’n cultuur probeert te beschermen tegen aanvallen van buitenaf –
eerder het tegenovergestelde. Bovendien maakt de film zodanig
gebruik van gestileerde elementen, dat het bijna fantasy
wordt: een elite-eenheid van de Perzen bestaat uit gruwelijke
creaturen die herinneringen oproepen aan de Orcs uit ‘Lord of the Rings’, we
krijgen reuze-olifanten en andere bizarre creaturen te zien, en een
misvormde Spartaan ziet er krék uit als Sloth uit ‘The Goonies’
(wie te jong is om zich daar iets bij te kunnen voorstellen:
Googelen!). Nee, een politieke film is ‘300’ niet.

Wat het wél is, is een ongegeneerde verheerlijking van alle
machoprincipes ter wereld. De fascinatie met het mannelijk lichaam
grenst soms aan het obscène: de Spartanen lopen continu met
ontblote torso rond, en tonen daarmee geen six pack, maar
twenty pack abs. Ze mogen niet in beeld komen of ze nemen
wel een pose aan die zó zou kunnen dienen voor een affiche voor
ondergoed. Aan het begin van de film zit een “blote kont in de
maneschijn”-shot dat rechtstreeks in de overmijdelijke gay
porn-
parodie gebruikt kan worden. In zekere zin is
‘300’ gewoon gay porn. Het is een ode aan mannelijkheid,
maar dan wel mannelijkheid van de alleroudste stempel: zwakke of
misvormde kinderen worden in Sparta domweg van een afgrond
gesmeten, want enkel de sterken hebben recht op leven. Daarna
worden ze opgeleid tot ijzervreters die leven om te vechten –
mannen die kokend bloed uit een menselijke schedel drinken bij het
ontbijt en dineren op babyvlees. Een echte vent is een krijger,
leren we uit ‘300’. Hij drukt zich uit in zinnen die nooit meer dan
tien woorden bevatten en waarvan de essentie steeds herleid kan
worden tot “vechten tot de dood!”. ‘300’ bevat genoeg
testosteron om een twintigtal geslachtsveranderingsoperaties tot
een goed einde te brengen, zonder extra hormonenkuur achteraf. Al
die macho-bullshit die in ‘Fight Club’ tot op de
grond werd afgebroken, wordt hier steen voor steen weer
opgebouwd.

Dat alles gaat gepaard met dialogen die zich beperken tot het
hoogst noodzakelijke, en die stuk voor stuk klinken alsof ze voor
de trailer bestemd waren (This is where we live! This is where
they die!).
De acteerprestaties zijn dan ook navenant. De
acteurs grijnzen, roepen en lekken mannelijkheid uit alle
lichaamsopeningen, en meer wordt er van hen ook niet verlangd.

Het hàd allemaal nog wel kunnen werken, als de actie maar eens
wat spectaculairder was geweest. Maar nee. Zack Snyder zit
eigenlijk in een onmogelijke positie: door de manier waarop het
verhaal in elkaar zit, is alle actie beperkt tot één locatie, die
dan nog niet bijster fotogeniek is – een bergpas die aan een strand
grenst, that’s it. En terwijl de personages van ‘Sin City’ nog met
vuisten, pistool, mes, samoeraizwaard, prikkeldraad en scheermes
aan de slag konden, zitten we hier met enkel speren en zwaarden. Na
de eerste veldslag hebben we eigenlijk alles al gezien dat we ooit
zùllen zien. De rest is herhaling.

‘300’ ziet er best knap uit en af en toe krijgen we wel een
geinig momentje, maar dit Machoïstisch manifest heeft na een uur
z’n tijd al lang gehad. Don’t believe the hype.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes − vijf =