Boudewijn de Groot :: Lage Landen

De rol van Boudewijn de Groot voor het Nederlandstalige lied kan onmogelijk overschat worden. Samen met tekstdichter Lennaert Nijgh heeft hij taal- en muziekgeschiedenis geschreven in onze contreien. En met Lage Landen zorgt de Groot er eerbiedwaardig sterk voor dat we vandaag niet alleen in de verleden tijd over zijn rol van betekenis moeten spreken.

Toen Nijgh in 2002 na een slepende ziekte overleed, verloor onze taal sowieso één van zijn mooiste kunstenaars. De rode draad van de Groots carrière knapte af. De samenwerking van beide heren reeg de klassiekers aan elkaar — oerklassieker en tweede plaat Voor de Overlevenden uit 1966 was dan nog maar het begin. Wat The Beatles voor de popmuziek betekenden, betekende het duo de Groot-Nijgh voor het Nederlandstalige lied. Voor de Overlevenden en Nijghs teksten en thema’s laten nog steeds hun sporen na op de Groots platen — zo ook op deze.

Lage Landen is ijzer dat heet wordt gesmeed. Ze volgt namelijk al drie jaar na Het Eiland In De Verte, dat acht jaar op zich liet wachten na de mijlpaal Een Nieuwe Herfst uit 1996 — en daarvoor was het maar liefst van ’84 geleden dat de Groot nog een plaat had uitgebracht. Dat ijzer is zo heet door onder andere de song "Avond" uit 1996 — één van de mooiste Nederlandstalige liefdesliedjes aller tijden. Het is de laatste jaren in Nederland door menige Top 2000 een eigen leven gaan leiden dat gelijkenissen vertoont met het verhaal van Gorky’s "Mia" bij ons. Nooit of zelden is in onze taal de mooie kant van de trouwe liefde op zo’n beeldende, treffende en menselijke manier omschreven, wars van meligheid of grote emoties. Dat maakt van "Avond" zowat een unicum.

Na de vorige twee platen waarop brede arrangementen en orkestraties de hoofdmoot uitmaakten, gaat de Groot hier de sobere toer op. De opnames gebeurden zoveel mogelijk live en met de band waar hij al jaren mee toert (inclusief ex-Doe Maar-bandlid Ernst Jansz en een violiste) in Nashville. De sound wordt graag omschreven als americana, maar zo’n vaart loopt het niet. Wel is het een pak intimistischer en voor de Groot persoonlijker, aangezien hij deze keer zelf de helft van de teksten heeft geschreven. Vooral aan het begin van de plaat verrast hij met zijn tekstdichterij aangenaam. Zijn taal is minder lyrisch, minder episch dan Nijgh bij momenten was. De Groot schrijft nog verhalender en in een wat scherpere taal.

Het eerste kwart van de plaat is zowaar een religieus drieluik waarin de Groot muzikaal daadwerkelijk nieuwe paden bewandelt. Opener "Hoogtevrees in Babylon" neigt naar countryblues (inclusief expliciete verwijzingen naar Paul Simon). "Achter de Hemelpoort" doet dan weer vermoeden dat de Groot Dylans Modern Times grijs heeft gedraaid: niet alleen door de instrumentatie, maar vooral door de lyrische opbouw (die de Groot meer vertelt dan zingt). Het is een jasje dat een duidelijk genietende de Groot beeldig staat en dat hij op zijn volgende platen meer mag aantrekken. "De Treinreis", met een tekst van Freek De Jonge, krijgt zelfs allegorische allusies en zet de luisteraar definitief op weg om een meesterwerk te ontdekken.

Ook zo’n vaart loopt het echter net niet. Een vierde hoogtepunt op rij is wel nog "Het Jagen Voorbij", zowat Nijghs laatste tekst en een ultiem eind- en rustpunt van een man die steeds weer de Onbereikbare Liefde aanschreef en najoeg zoals niemand anders dat in onze moedertaal kon en zal kunnen. "Er woedt niets meer in mij aan het einde van de zomer/ Het jagen voorbij" krabbelde hij van op zijn sterfbed. Het nummer verscheen al op Nacht van Henny Vrienten, maar is in deze soberdere versie nog treffender en gewoon mooier.

Het niveau van "Achter De Hemelpoort" wordt bijna niet meer gehaald, maar Lage Landen bulkt anders wel van de mooie songs. Op het wiegeliedje "Altijd Samen" eist de prachtige viool van Monique Lansdorp de hoofdrol op, "Grijze Dame" blijft rechtop door de eens te meer sterke tekst, maar valt in vergelijking met de overige songs wat mager uit, "Zelden Kunnen Praten" is een heerlijk melancholisch afscheidslied. Het titelnummer knoopt dan weer aan met het klavertjevier van het begin: "Liggend op mijn rug in het gras van Maas en Waal" bezingt De Groot zijn leven en de geschiedenis onzer landen die hij in de wolken voorbij ziet drijven. Ten tijde van Voor de Overlevenden bezong hij het land van Maas en Waal nog met de fanfare voorop, nu mijmerend, haast bezinnend en tevreden de balans opmakend: in een bloedmooie song overspant de Groot veertig jaar carrière op een ongelooflijk stijlvolle manier.

Na Nijghs dood is de Groot weer meer teksten beginnen schrijven, wat volgens hem inhoudt dat zijn productiviteit de hoogte in zal gaan. Zo voorspelt hij ook dat zijn laatste plaat er één zal zijn waarop hij zichzelf alleen met gitaar begeleidt. Hoe mooi dat vooruitzicht na een plaat als dit ook klinkt, laat hij dat toch nog maar even uitstellen. Op zijn 62ste heeft Boudewijn de Groot namelijk een essentiële plaat in zijn carrière gemaakt, die doet vermoeden dat hij zijn laatste meesterwerk bijlange nog niet heeft geschreven. Hulde en respect. De Groot voorspelde het indertijd zelf: hij is een overlever.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 5 =