Seven Degrees From Center :: Catalog Debris

Als je na de eerste luisterbeurt Catalog Debris in de dichtstbijzijnde vuilbak wil keilen, schrik dan niet. Het is immers een perfect normale reactie. Zowat alles op dit album ademt immers fake, pose en been there done that uit. Gun de plaat echter wat meer tijd, en je beseft dat er toch enkele mooie songs op verscholen staan.

Niet dat Catalog Debris daarmee een klassieker is waarvoor je termen als “onvergetelijk”, “openbaring” of “ren nu naar de platenwinkel” bovenhaalt. “Middelmatig”, “mwah” en ”misschien” zijn eerder op hun plaats. Tja, de letter m is nooit het meest boeiende deel van het woordenboek geweest.

Het probleem met de meeste nummers op dit album is dat ze te clean en voorspelbaar zijn. De band grijpt bij momenten terug naar de melodieuze grunge van midden jaren negentig, maar kan op geen enkel moment de aha-erlebnis opwekken die er vijftien jaar geleden wel was. Qua zangstem houdt Tim Koberstein het midden tussen Eddie Vedder en Maynard Keenan ten tijde van Undertow. Namen waar je mee kan uitpakken, maar evenzeer namen waar je met je fikken van af moet blijven als je niet weet wat je doet.

Seven Degrees From Center zorgt voor een vlekkeloze afwisseling tussen hard en zacht en smijt er, na een batterij pompende gitaren, gepast enkele slows tussen. Het lijkt daardoor echter veel te fel of het album, netjes afgemeten, in een laboratorium werd gefabriceerd. Jammer genoeg ontstaat er in een labo niet meteen veel commotie, tenzij een of andere onverlaat de hele santenkraam van reageerbuisjes en erlenmeyers omverloopt. Niets van dat alles is te bespeuren op Catalog Debris.

Ook de kwaliteit van de songteksten is niets om je slaap voor te laten. Do you know what it’s like/ to wake up screaming When will I ever sleep again of First there was life/ then there was pain lijken zo weggelopen uit het dagboek van de eerste de beste depressieve tiener.

Tot zover het negatieve nieuws. Net als je denkt dat het nu wel genoeg is geweest, beginnen de songs zich immers knusjes in je oor te nestelen. Plots wérkt de opzwepende en opgewekte melodie van “Suddenly A Light” en nog een handvol andere songs. Was het eerder nog potsierlijk als Koberstein vol overgave I am exploding quietly/ I am quietly exploding in de micro brult, dan is dit rollen met de spierballen à la Danzig in “Looking for an Exit” plots aandoenlijk. En lijkt de geest van Tracy Chapman niet ergens te zweven over “Not One”? Alles om aan de grijze middelmaat te ontsnappen.

Twee songs zijn al van bij de eerste luisterbeurt raak. “At Sea” is een als halve slow vermomde en maar net in toom gehouden energiebal terwijl het op de hyperkinetisch pompende gitaarriff van “Tipping the King” onmogelijk is stil te blijven zitten.

Al even geleidelijk als de songs aan hun groeiproces begonnen, doven ze echter weer uit. De houdbaarheidsdatum is eenvoudigweg veel te kort om veel stof te doen opwaaien. En zo belandt het album, zij het iets later dan verwacht, toch nog in de vuilbak. De deliberatie luidt: “terug naar het labo jongens, smijt daar alles tegen de grond en kom in september nog eens terug.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − 4 =