Sunn O))) & Boris :: Altar

Het middel om grafschenders een halt toe te roepen: laat de
gitzwarte, bijna subsonische modderstroom van dreigende drones en
mistige doomsferen van Sunn O))) over de
kerkhoven vloeien en het enige wat je zal vinden zijn onaangeroerde
grafzerken, besmeurde onderbroeken en voetsporen richting een
beschermend donsdeken. Luisteren naar de bottenbrekende maar unieke
sound van Sunn O))) is zowel een ritualistische fysieke
gewaarwording als een fascinerende aurale ervaring. Greg Anderson
en Stephen O’Malley hebben het extreme subgenre van de doommetal
onder de aandacht van een breder publiek gebracht door koppig te
volharden in broekenwapperende volumes en met doornen begroeide
feedbackmuren. Hoe radicaler Sunn O))) lijkt te worden, hoe meer
fans, respect en interviews in gezaghebbende bladen de in pijen
gehulde Amerikanen winnen. ‘Altar’, hun samenwerking met hun
Japanse zielsgenoten van Boris, komt
grotendeels tegemoet aan de hooggespannen verwachtingen en splijt
de aarde van de underground nog verder open zonder concessies te
doen.

Sunn O))) en Boris zijn niet het soort druïden die je in
Astérix-strips zal tegenkomen. De ontzagwekkende oerkracht van hun
zompige toverdrank zorgt namelijk niet voor bovennatuurlijke
vermogens, maar voor een intense trance waarin Gallische banketten
en kroezen bier niet aan bod komen. ‘Etna’ trekt ons onmiddellijk
de diepte in richting aardkern met donkere doomwolken, lang
nazinderende, logge gitaren en het percussieve gedonder van Atsuo
(Boris). Op het altaar van Sunn O))) en Boris zijn geen gouden
bekers of hosties te vinden, maar brokken steen die van de gewelven
donderen en je lijf op een haar na missen. Na een ijzingwekkende
sfeerschepping van zes minuten vertoont zich een laaggestemd
riffmonster in de feedbackmist om daarna traag weer richting
catacomben te keren. De afsluiter ‘Blood Swamp’ probeert iets
gelijkaardigs, maar gaat gedurende 14 minuten werkelijk nergens
heen en het monotone gedreun gaat door een gebrek aan spanning
behoorlijk vervelen. ‘N.L.T.’ is korter in lengte en gromt als een
startende tientonner, maar is te arm aan ideeën om te
overtuigen.

De overige drie nummers zijn gelukkig een pak interessanter en
laten de droneterreur tot een draaglijk volume zakken om plaats te
maken voor een minder verstikkend, breder geluid. Zo horen we in
‘Akuma No Kuma’ de creepy vocoderstem van Joe Preston (ex-Earth en
The Melvins)
terwijl Atsuo schijnbaar arbitrair zijn drums geselt. In het midden
van de song laat een aardbeving van Moogs en trombones het nummer
in twee barsten, waarna de Korgs en Moogs opnieuw een macaber
synthverbond vormen tegen de luchtigheid. ‘Fried Eagle Mind’ is
daarna een welgekomen dromerige trip, maar de verrassendste en
veruit prachtigste song heet ‘The Sinking Belle (Blue Sheep)’. In
tegenstelling tot wat je zou vermoeden, zinkt alt. country-zangeres
Jesse Sykes niet weg in het drassige moeras van Sunn O))) en Boris,
maar houdt ze zich met haar meeslepend gefluister meesterlijk
staande tussen echoënde gitaren, intieme pianoschetsen en
ingehouden percussie. Toegankelijker klonken de drone-druïden nooit
en het resultaat is van een angstaanjagende schoonheid, een term
die we eerder met het in de stratosfeer vertoevende Sigur Rós associëren
dan met het aardse gedonder van deze tandem.

‘Altar’ is zeker niet foutloos en er had misschien nog meer in deze
kruisbestuiving gezeten, maar op hun beste momenten blazen deze
twee doomacts alle gemarketeerde prefab moeiteloos van de aardbol.
Bovendien durven beide bands het aan om hun sound te vernieuwen en
andere elementen in hun schijnbaar ondoordringbare geluidsmist te
incorporeren. Poppy zullen de twee bands (gelukkig) nooit worden,
maar deze samenwerking zet hun loodzware poort nog meer op een kier
voor nieuwsgierige muziekliefhebbers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 + twaalf =