The Man With the Golden Gun

De eerste twee episodes van de Bondreeks waarin Roger Moore
optrad, betekenden op z’n minst een gedeeltelijke terugkeer naar
een iets kleinschaligere Bond. Eens de producenten helemaal zeker
waren dat het publiek Moore had aanvaard, lieten ze zich helemaal
gaan en werden de films steeds megalomaner (samen met de schurken
ervan). Maar zowel ‘Live and Let Die’ als
‘The Man With the Golden Gun’ kunnen gerekend worden tot een soort
van proefperiode voor de nieuwe acteur, waarin het allemaal net
ietsje kalmer aan werd gedaan. Geen slechteriken die uit waren op
werelddominantie, geen al te extravagante gadgets en zelfs de
actiescènes waren redelijk down to earth, in vergelijking
met wat we zouden krijgen in afleveringen als ‘The Spy Who Loved Me’
en ‘Moonraker’.
De meest interessante Bondfilms zijn diegenen die ver durven gaan,
ofwel in de doorgedreven onnozelheid die sommige intredes kenmerkte
(denk maar aan ‘Goldfinger’), ofwel in
de realistische aanpak waar andere de voorkeur aan gaven (‘Licence To Kill’).
‘Live and Let
Die’
en ‘The Man With the Golden Gun’ vallen echter ergens daar
tussenin, wat als gevolg heeft dat het twee films zijn die vaak
verloren gaan in de grijze massa aan Bondavonturen. Standaard Bond,
niet shaken, niet stirred, niks.

Deze keer komt Bond te weten dat befaamd huurmoordenaar
Scaramanga (Christopher Lee) achter hem aanzit. Scaramanga staat
ervoor bekend dat hij een miljoen dollar per moord aanrekent en dat
hij nooit mist met zijn kenmerkende gouden pistool (voor zoveel
geld màg hij ook wel raak schieten). Bond weet niet waarom de
killer het plots op hem gemunt heeft, maar hij reist af naar Hong
Kong en Thailand om dat te weten te komen. Het één en ander blijkt
samen te hangen met een snood plan om een monopolie op
zonne-energie te pakken te krijgen.

Een standaardverhaal dus, dat de makers proberen te compenseren
door continu de nadruk te leggen op de gelijkenissen tussen
Scaramanga en Bond zelf. “We zijn allebei moordenaars, meneer
Bond,” zegt Christopher Lee. “Alleen heb ik een hogere prijs dan
u.” Ja hoor, het is weer zo ver: de slechterik probeert zichzelf
wijs te maken dat hij enkel de schaduwzijde is van de held, de
persoon die de held had kùnnen worden onder andere omstandigheden.
Scenarioschrijvers Richard Maibaum en Tom Mankiewicz lijken dat
element van hun verhaal opvallend serieus te nemen, hoewel het
nooit echt van de grond komt.

Voor de rest is de hele prent behoorlijk
tongue-in-cheek: we krijgen de terugkeer van sheriff JW
Pepper, een soort van levende stripfiguur die in naam van de gulle
lach onophoudelijk irritant mag staan wezen als debiele
politieagent uit Louisiana. Nick-Nack, de meterhoge
sidekick van Scaramanga, wordt eigenlijk enkel gebruikt
als een aardigheidje in het scenario. Ooit moet er eens iemand
tijdens een productievergadering hebben gezegd: “Zou het niet
geestig zijn om de slechterik een dwerg als hulpje te geven?”,
waarna aldus geschiedde. De acteur in kwestie, Hervé Villechaize,
laat zich de hele film lang ongelooflijk sportief uitlachen: een
fles champagne knalt open in zijn gezicht, hij neemt de plaats in
van een miniatuurbeeldje en hij eindigt zelfs in een reiskoffer.
Yup, dit waren de dagen voor politieke correctheid.

Dat de Bondreeks op dit punt nog onaangeroerd was door dat soort
van overwegingen, wordt overigens ook duidelijk uit het vrouwbeeld
van de film. Meer dan welke aflevering dan ook, is dit er één
waarin de vrouwen overduidelijk nee zeggen, maar ja bedoelen. Maud
Adams duikt op als de maîtraisse van Scaramanga, die door Bond
aanvankelijk hardhandig wordt aangepakt, maar uiteindelijk toch
voor zijn charmes smelt. Blijkbaar is het perfect mogelijk om de
arm van een vrouw bijna te breken zonder haar respect te verliezen.
Britt Ekland speelt dan weer Mary Goodnight, een oliedomme geheim
agente wiens voornaamste functie het is om zich in alles te
vergissen en in elke situatie zo stuntelig mogelijk uit de hoek te
komen – allemaal opdat ze toch maar volledig afhankelijk zou zijn
van Bond. Onze held lacht haar vierkant uit voor haar gebrek aan
intelligentie, wat niet verhindert dat hij haar even later in z’n
bed heeft liggen. Tijdens één scène jaagt hij haar zelfs z’n bed
uit om zich te verstoppen in de kast, terwijl hij in de vlugte Maud
Adams binnendoet. Dat vrouwen niet serieus genomen worden in
Bondfilms, is uiteraard niets nieuws, maar de mentaliteit die
daaraan gekoppeld wordt in ‘The Man With the Golden Gun’, is echt
venijnig. Dit is geen nonchalant mannelijk chauvinisme, maar een
doelbewuste ridiculisering van elke vrouw die er passeert.

Er zitten best een paar aardige actiescènes in de film, met als
hoogtepunt een lange autoachtervolging mét salto mortale, maar ook
niets dat echt herinnerd zal worden in het Bond-canon. Wél zeer
geestig is een scène waarin twee Hong Kongse schoolmeisjes
plotseling een stuk of vijftig schoeljes voor hun reet schoppen,
terwijl Bond geamuseerd toekijkt. De zelfparodie is sowieso nooit
veraf, maar hier dringt ze helemaal door, wat best wel geinig
is.

Blijft daar nog de allerslechtste Bondsong uit de geschiedenis
van de reeks, waarin zangeres Lulu allerhande heksentoeren uithaalt
met haar stem om ons ervan te overtuigen dat de tekst niét geheel
van de pot gerukt is. Dit is de enige Bondfilm die ik niet kan
bekijken zonder de opening credits door te spoelen, om
toch maar dat gruwelnummer te vermijden.

‘The Man With the Golden Gun’ is een onopmerkelijke intrede uit
een reeks die rond deze periode in een serieuze dip zat. Gelukkig
voor de makers zou daar met de volgende episode een einde aan
komen. Op zichzelf bekeken is en blijft dit echter een flauw,
vrouwonvriendelijk en weinig opwindend filmpje dat zich uitsluitend
laat bekijken door completisten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 3 =