The Living Daylights

Toen in het midden van de jaren tachtig Roger Moore eindelijk
afscheid nam van de rol van James Bond en Timothy Dalton het van
hem overnam, kon je de scenaristen van de reeks bijna een zucht van
verluchting horen slaken. Eén van de redenen waarom de laatste paar
avonturen zo afgezaagd en déjà-vu waren geworden, was immers dat
Moore als acteur een te beperkt bereik had om echt veel aan te
kunnen met dat personage. Hij was goed in de humor, maar veel
minder goed met de harde kant van Bond en wat de actie betreft
begon de stilaan gevorderde leeftijd van Moore fameus door te
wegen. Dus werd er steeds meer ingespeeld op de grappen en grollen,
tot de Bondfilms op z’n best nog een parodie op zichzelf leken.
Timothy Dalton daarentegen was een klassiek geschoold acteur,
iemand die geleerd had om oprechte emoties in z’n vertolkingen te
stoppen, zelfs al speelde hij James Bond. En als gevolg daarvan
konden de schrijvers nieuwe dingen uitproberen: een hardere Bond,
gevaarlijker, sluwer, slimmer, in een avontuur dat op z’n minst
iets dichter tegen de realiteit stond. De filmmakers hadden plots
de vrijheid om eens wat anders te doen en een serieuzere toon aan
te slaan.

En wat was het gevolg? Het publiek lustte het niet. Dalton werd
afgeschreven als te duister en humorloos, de film als te serieus en
te gewelddadig. Misschien dat de overgang wel te bruusk was: in ’85
kregen we Roger Moore die over een ijsvlakte snowboardde terwijl de
Beach Boys op de soundtrack speelden. Slechts twee jaar nadien
kregen we ‘The Living Daylights’ en verdomd als het niet ineens de
allures van een ernstige spionagethriller begon te krijgen. Waar
waren de witzen, de one-liners en de rollende wenkbrauwen?
Sindsdien is de reputatie van de beide Dalton-Bonds steeds beter
geworden, tot ze nu (althans in sommige kringen) gezien worden als
twee van de beste uit de reeks.

Het verhaal draait rond de Russische generaal Koskov (Jeroen
Krabbé) die overloopt om de Britse geheime dienst te waarschuwen
voor zijn collega Pushkin (John Rhys-Davies), die gek zou zijn
geworden en een moordcampagne uitvoert tegen westerse agenten. Bond
heeft echter zo z’n twijfels, en ontdekt dat Koskov de Secret
Service wil misbruiken om Pushkin een kopje kleiner te maken, zodat
zijn eigen malafide praktijken niet ontdekt zouden worden.

Niemand zal ‘The Living Daylights’ cinéma vérité kunnen noemen,
maar dat is wel een plot die heel wat aannemelijker is dan de
doorsnee “gek-wil-de-wereldbevolking-uitroeien”-intrige waar Roger
Moore standaard in verzeild raakte. Deze vijftiende Bond lijkt
ergens te twijfelen op de grens tussen een klassiek 007-avontuur en
een meer down and dirty actiefilm zoals die tijdens de
jaren tachtig wel vaker werden gemaakt. Enerzijds krijgen de fans
wel weer een aantal gadgets, zoals een auto met ski’s en raketten
en een sleutelhanger met een gasbommetje in, maar anderzijds lijken
regisseur John Glen en zijn team daar niet teveel gebruik van te
willen maken. De actie wordt fysiek zwaarder, met écht opwindende
scènes, zoals een schitterende proloog in Gibraltar, en een finale
waarbij Bond aan een net hangt te bengelen uit de laadruimte van
een vliegtuig. Voor het eerst in jaren krijg je de indruk dat James
Bond moeite moet doen, dat hij gevoelig is voor pijn. De gadgets
lijken er alleen te zijn omdat noblesse oblige.
Verfrissend is dat.

Dalton speelt Bond dus niet als een zorgeloze flierefluiter,
maar meer als een intense, geharde moordenaar. Het publiek van
toen, dat nog niet was afgekickt van meer dan tien jaar Moore,
moest er maar weinig van weten, maar dat is wel degelijk hoe Ian
Fleming zijn held oorspronkelijk geschreven had. Moore was in feite
geen seconde geloofwaardig als Brits geheim agent, maar creëerde
een soort van privé-universum in die films waarin het met een
beetje goede wil nog wel kon. Dalton speelt daarentegen een echte
killer. Humorloos? Misschien, maar je krijgt eindelijk wel nog eens
iemand die echt een spion zou kunnen zijn. Daarbij lijkt er
overigens maar weinig tijd te zijn voor romantiek, en één van de
voornaamste punten van kritiek op deze aflevering, was dan ook dat
Bond maar één vrouw het bed in nam, als je een meisje aan het einde
van de proloog niet meerekent. Het aids-tijdperk was aangebroken,
en seks moest verdwijnen, blijkbaar. Misschien is daar wel iets van
aan, maar het feit blijft dat de seks ook in de eerdere films zo
omzichtig werd aangepakt dat je het nauwelijks mist. Roger Moore
die een willekeurige deerne kust, een fade-over en hoppa, we zitten
al aan de sigaret en het glaasje champagne achteraf – dat was wel
zo ongeveer wat seks te betekenen had in de Bondfilms. Is het zo
dramatisch om dat hier niet te krijgen?

Niet dat ‘The Living Daylights’ perfect is: de film duurt iets
te lang, met nog eens een extra finale nà de vliegtuigscène die
overbodig aanvoelt. Ook is Maryam D’Abo, Bondgirl van dienst, niet
echt overtuigend – tegen het einde van de prent roept ze zo
dikwijls “James!” dat het bijna lachwekkend wordt. Jeroen Krabbé
legt erg veel humor in z’n rol als Russische slechterik, maar
steekt daarmee wel nogal sterk af tegen de sombere toon van de rest
van de film. Hij lijkt eerder een slechterik uit een Roger
Moore-aflevering.

Wie de film nu ziet, zal overigens ook opkijken van scènes in
Afghanistan, waar Bond zowaar geholpen wordt door de Moedjahedin –
een bende Islamitische vrijheidsstrijders die zich tijdens de jaren
tachtig verzetten tegen de Russische overheersers en daarvoor
wapens kregen van de Amerikanen. Na het vertrek van de Russen
versplinterde de Moedjahedin in vrolijke jongensclubjes zoals de
Taliban en Al Qaida. Zo zie je maar, de axis van het kwaad van
tegenwoordig ging nog niet zo heel lang geleden ten strijde samen
met James Bond, of all people. Ik veronderstel dat het
best is om ervan uit te gaan dat filmproducenten in die tijd nog
niet beter wisten.

‘The Living Daylights’ blijft dus een beetje steken in de subtop
van de Bondfilms, maar het is wél een gewaagde terugkeer naar de
bron van de Bondfilms. Harder, serieuzer, méér een spionagefilm dan
alle Moore-Bonds (op ‘For Your Eyes Only’ na)
tesamen. Laat het bijna twintig jaar na dato eindelijk officieel
gezegd zijn: Timothy Dalton was een goeie Bond, die de reeks terug
een klein beetje broodnodige geloofwaardigheid heeft gegeven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien + vijf =