The Spy Who Loved Me

Na twee weinig succesvolle probeersels, hadden de producenten
van de James Bondfilms eindelijk de juiste formule voor een Roger
Moore-Bond te pakken met ‘The Spy Who Loved Me’, een film die
tegenwoordig als één van de beste in de reeks wordt beschouwd. Na
de relatieve flop die ‘The Man With the Golden
Gun’
was (met vernietigende kritieken en, belangrijker,
tegenvallende bezoekcijfers), lijkt er eindelijk eens iemand achter
z’n bureau te zijn gaan zitten om zich de vraag te stellen: wat
zijn nu de sterke en zwakke kanten van onze ster? Moore is nooit
een schitterend acteur geweest, en de harde kant van Bond, die Sean
Connery zo moeiteloos tot leven kon wekken, kwam bij hem al gauw
als een afknapper over. Denk maar aan een scène waarin hij Maud
Adams hardhandig aanpakt in ‘Golden Gun’ – Connery
kon zoiets doen zonder de sympathie van het publiek te verliezen,
bij Roger Moore fronsen we onze wenkbrauwen omdat het allemaal
nogal smakeloos overkomt. Waar Moore wél goed in was, was z’n
komische timing en ‘The Spy Who Loved Me’ is dan ook de eerste film
die daar volledig op inspeelt. Vanaf hier tot aan het einde van
Moore’s carrière als Bond, zou de reeks steeds meer evolueren in de
richting van komedie, met een nadruk op humor die continu flirtte
met de zelfparodie. (Uitzondering op deze regel is weliswaar
‘For Your Eyes
Only’
.) Of je nu een fan bent van deze grappige Bond, of eerder
de voorkeur geeft aan de meer “realistische” afleveringen is een
andere kwestie – het feit blijft dat ‘The Spy Who Loved Me’
verreweg de beste Bondfilm is van het Moore-tijdperk.

De plot is eigenlijk een aaneenschakeling van al de beste
Bond-clichés: een megalomane miljardair die schijnbaar wat te lang
naar z’n aquarium heeft zitten staren, gespeeld door Curd Jürgens,
besluit dat hij het nu wel heeft gehad met de rest van de wereld en
kaapt een Britse en Russische nucleaire onderzeeër. Met dat
wapentuig wil hij de wereld zoals wij die kennen helemaal om zeep
helpen en onder water opnieuw beginnen. Bond moet ditmaal
samenwerken met een Russische agente, Triple X (ofwel XXX, de
aanduiding die nog steeds wordt gebruikt voor pornofilms), om dat
snood plan te dwarsbomen. Samen trekken ze van Egypte naar Sardinië
en verder de zee op, terwijl ze worden achterna gezeten door
wellicht de beste evil henchman aller tijden: Jaws
(Richard Kiel), een reus van een vent met een stalen gebit.

‘The Spy Who Loved Me’ was de film waarin de formule voor de
reeks definitief werd vastgesteld voor de volgende tien jaar. Zo’n
formule bestond al voor Sean Connery, en nu waren de makers er
eindelijk achter gekomen welke wijzigingen er nodig waren om Roger
Moore voldoende speelruimte te geven. Een stinkend rijke schurk die
de wereld wil vernietigen, actie met een vette knipoog, gigantische
sets, mooie vrouwen die niet al te best acteren en bovenal: erg
veel humor. Als je honderd mensen vraagt om de typische kenmerken
van een Bondfilm te geven, dan zal het merendeel daarvan in grote
lijnen deze aflevering omschrijven.

De actie is dan ook silly tot in het extreme: de toon
wordt gezet tijdens de pre-credit sequence, waarin Bond
van een afgrond skiet, om gered te worden door een parachute met de
Union Jack erop. Daarna krijgen we nog een scène waarin Jaws een
halve Egyptische tempel op z’n kop krijgt maar ongedeerd
rechtstaat, een vechtscène op een trein waarin Bond Jaws’ tanden
onder elektriciteit zet, een autoachtervolging die onder water
verdergaat en uiteraard een finale die haast uitsluitend bestaat
uit twintig minuten aan explosies. Niets daarvan heeft ook maar in
de verte iets te maken met de realiteit, maar who cares?
De gadgets krijgen ook weer meer aandacht en in de stijl van
‘Goldfinger’,
worden ze bewust zover mogelijk over de top gedreven. Dit is de
eerste film waarin we een komische rondleiding krijgen door Q’s
laboratorium. In de eerdere afleveringen gaf Q gewoon aan James
Bond wat hij nodig had om z’n missie te vervullen, maar hier wordt
een traditie begonnen waarbij we eerst gewoon wat willekeurige,
geinige uitvindingen te zien krijgen, zoals een zwevende
theeschotel die scherp genoeg is om een man te onthoofden en een
waterpijp met ingebouwd machinegeweer. Bond zelf rijdt rond met een
wagen die in een duikboot verandert. Degene die dat ooit bedacht
heeft, moet goed gelachen hebben.

Dat alles zorgt voor een erg plezierige Bondfilm, met
actiescènes die opmerkelijk beter gemonteerd zijn dan in de vorige
episoden (de aanwezigheid van John Glen als monteur zal daar wel
wat mee te maken hebben – Glen werkte eerder aan ‘On Her Majesty’s Secret
Service’
, ook een film met uitstekende actiesequensen). Dat ze
soms wat te lang duren (de onderwaterachtervolging wordt echt
uitgerokken, en ook de finale geeft een gevoel van
overkill), neem je er dan maar bij. Dit is in ieder geval
een Bondfilm die zichzelf heeft aanvaard voor wat het is: geen
grote cinema, maar uitbundige onzin die blij is dat het uitbundige
onzin mag zijn.

Blijft daar wel nog Barbara Bach als Triple X, een voormalig
fotomodel die het bijzonder moeilijk heeft om ook maar de minste
emotie op haar gezicht te toveren. Haar acteerwerk hier is
onvergeeflijk houterig, en dat terwijl ze net een belangrijk
precendent mocht maken in de Bondreeks: een sterke vrouwelijke
figuur, die zich op geen enkel moment onderdanig opstelt. Bach’s
falen hier werpt de enige échte schaduw op de film.

Verder is dit een Bondfilm volgens het boekje: alle elementen
zitten op hun plaats en het geheel klikt prachtig samen. Ik
veronderstel dat ik altijd nog net iets meer een fan van de meer
realistische, of in ieder geval minder humoristische Bond zal
blijven, maar dit is een onweerlegbaar hoogtepunt uit de reeks.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 17 =