White Magic :: Dat Rosa Mel Apibus

Dat de middeleeuwen nog steeds beschouwd worden als een duistere periode vol bijgeloof, machtsmisbruik en vrouwenvervolgingen is niet alleen een oud zeer, maar ook een moeilijk uit te roeien misverstand. Veel meer dan de middeleeuwer was het de door de klassieken geïnspireerde wetenschapper die zich inliet met magie.

Het was pas in de Renaissance dat de heksenvervolgingen hun "bloei" kenden, al bleef het aantal slachtoffers relatief klein en waren verbrandingen zeker geen schering en inslag. De "ware magie" was immers niet te vinden bij de plattelandsbevolking maar wel bij geleerden, alchemisten en (pseudo-)filosofen die zich verdiepten in Egyptische en kabbalistische geschriften waarmee ze hoopten de natuur en het wezen van de kosmos te ontcijferen.

Het Brooklynse White Magic haalt in zijn beeldspraak dan ook duidelijk de mosterd bij beruchte figuren als Giordani Bruno, Johannes Trithemius, Hermes Tristegimus en andere magiërs, ketters en vreemde kwibussen, al dan niet verenigd in schimmige culten zoals de Rozenkruisers. Het cd-boekje bulkt van de afbeeldingen geplukt uit duistere manuscripten en handschriften en de hoes is een overduidelijke hommage aan Johann Theodore deBry’s schilderij Dat Rosa Mel Apibus (de roos geeft de bij honing), waarin wie wil een hele symboliek naar keuze kan vinden.

Nog voor de eerste noot gehoord is, mag er al gekreund worden bij zoveel zwaarmoedige thematiek die het ergste belooft voor de muziek. Niet geheel onterecht overigens, want het trio rond pianiste / zangeres Miro Bilotte (ooit bij Qui*to*tic) grossiert soms iets te veel in gezochte gekte en moeilijkdoenerij, waarbij vooral de vocale capriolen van Bilotte de voltallige familie de gordijnen in jaagt. Op andere momenten weet de groep echter wel een intrigerend, maar moeilijk te verteren album te creëren.

Het koortsige "All The World Wept" roept een visioen van vergeten werelden op en tast voorzichtig de grenzen van de psychedelische folk af. Ook "Sung Song" weeft een boeiend patroon, waarbij Bilotte een hermetisch geheel vormt met haar kompanen Andy McLeod en Miggy Littleton. De folkballade "What I See" steunt sterk op haar stem, al weet Bilotte er een enorme expressiviteit te leggen. Het zachte "Katie Cruel" klinkt als een lang vergeten murderballad uit de Schotse hoogvlakten, waar de verdoemde geesten van geliefden nog lang geen rust gevonden hebben. Met het obsessieve "Sea Chanty" wordt dan weer de gruwelijkheid van de Sirenes in de verf gezet.

In het prejazzy "Palm And Wine" weet Bilotte zich nog net in te tomen zodat de mooie knipoog naar ragtime alle kansen krijgt. "Songs Of Solomon" verleent de drums en elektrische gitaar eindelijk een glansrol, Bilotte start een dialoog met zichzelf en bewijst dat ze, als ze haar uitbarstingen weet te controleren, wel degelijk over een knappe en eigengereide stem beschikt. Helaas wil ze dat in de andere nummers iets te veel benadrukken waardoor bijna de helft van de plaat bezwijkt onder een te sterke geldingsdrang.

Het debuut van White Magic is dan ook een dubbeltje op zijn kant: een aantal nummers bezwijkt haast onder de pogingen om zo gek mogelijk te doen of zo apart mogelijk te klinken. De grote sterkte van de groep is ook haar zwakte: Miro Bilotte, die beschikt over een eigenzinnige en expressieve stem. Helaas weet ze nog niet ten volle hoe ze die het beste aanwendt en durft ze danig over de schreef te gaan. Wanneer alle elementen in de juiste plooi vallen, is er echter sprake van een zonder meer intrigerend geheel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × twee =