Bonnie ‘Prince’ Billy :: The Letting Go

Hoe lang kan iemand teren op een meesterwerk? Er zijn in de geschiedenis genoeg auteurs bekend die hun hele reputatie te danken hebben aan één werk en verder niets noemenswaardigs uitgebracht hebben. Maar is zoiets niet pijnlijk?

Na jaren gewerkt te hebben onder de pseudoniemen Palace, Palace Music en Palace Brothers, bracht Will Oldham zijn eerste album onder eigen naam uit, om daarna toch maar weer voor een pseudoniem te kiezen: Bonnie ’Prince’ Billy. En hoewel Oldham doorheen de jaren al een cultstatus verworven had, zou het onder dit pseudoniem zijn dat hij voorgoed naam maakte met I See A Darkness.

De plaat had haar naam niet gestolen: de songs waren doordrongen van een duistere melancholie die zich nog het gemakkelijkste liet omschrijven als een gotische variant op alt country, met teksten waar de cynische weemoed van afdroop. Hoop was ver te zoeken in dit tranendal van lapsteel gitaar, doffe drums en grimmige (samen)zang. Helaas leek Oldham daarna zijn naam en faam niet meer waar te maken. Op het bloedstollende "I Gave You" na (op Superwolf) gaf Oldham niet langer blijk van genialiteit.

Maar met The Letting Go worden alle twijfels en vragen van de voorbije jaren met een haast achteloos handgebaar van tafel geveegd. Oldham trok deze keer naar Reykjavik, waar hij onder meer een strijkerensemble, Jim White op drum en Dawn McCarthy (Faun Fables) als tweede stem inschakelde, zonder evenwel de songs te verstikken in een overdaad aan instrumenten of geluiden. Verwacht geen terugkeer naar I See A Darkness maar eerder een terugblik op de Palace-dagen, met een weemoed en pracht die geen van de vorige releases wist te vatten.

Het is een spaarzaam album geworden waarop elk instrument en elke stem behoedzaam een plaats toegewezen krijgen. Meer dan ooit tevoren lijkt Oldham terug te willen grijpen naar een oude folktraditie waarbinnen een vaak tragisch verhaal centraal stond. De jaren zijn mild geweest voor de bebaarde bard, wiens stem steeds meer aan gebroken klankkleur lijkt te winnen. De preblues van "Cold & Wet" lijkt dan ook zo geplukt te zijn uit Harry Smiths Anthology Of American Folk Music, "Big Friday" klinkt overheerlijk ouderwets en zelfs wat speels en "Lay And Love" lijkt een stokoude countryballade.

De eerder genoemde nummers contrasteren bedeesd met het vollere "Love Comes To Me", dat voorzichtig de grenzen van een melancholische liefde aftast. In "Strange Form Of Life" heeft die liefde zijn vorm gevonden, iets dat in de zachte ballade "Wai" alleen maar bevestigd wordt: op een gezegende leeftijd zegt een verzwegen woord veel meer dan duizend liefdesverklaringen. "No Bad News" vormt een prachtige aanvulling op het drieluik, de ondergaande zon draagt de belofte van een nieuw leven in zich.

"Cursed Sleep" laat country en strijkers in eenzelfde bed slapen en de vrucht van dit huwelijk brengt met "Seedling" een eerste opgejaagde song voort die echo’s van Faun Fables in zich draagt, maar eveneens een Oldham die, op van de zenuwen, scherp staat. Ook "The Letting Go" draagt zijn geboortemerk mee, hoewel de razernij getemperd is. Het vreemde "God’s Small Song" dankt zijn bestaansrecht dan weer aan de harpspelende travestiet op leeftijd Baby Dee (denk aan een cynische Antony). Met "I Called You Back" wordt er dan toch teruggekeerd naar vertrouwd terrein, waarna een untitled track het album in schoonheid afsluit.

Will Oldham heeft uiteraard niets meer te bewijzen, maar het schoentje begon de laatste tijd wel heel hard te knellen. Te veel middelmatige albums naar ’s mans eigen standaard deden langzaam maar zeker afbreuk aan de faam die hij opgebouwd had. The Letting Go wuift alle bedenkingen nu weg. De gotiek is ver te zoeken en de weemoed heeft zijn cynische masker laten vallen, wat overblijft is naakt verdriet dat recht naar het hart grijpt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × twee =