La Haine




Soms doen regisseurs hun beste werk als jonge honden, wanneer er
nog een zekere drang bestaat om iets te vertellen, en voordat de
zakelijke, commerciële kant van de business alles overneemt. Dat
lijkt zeker en vast het geval te zijn voor Mathieu Kassovitz, die
in 1995 de filmwereld op z’n kop zette met ‘La Haine’ – prijs voor
de beste regisseur in Cannes, verhitte debatten over het onderwerp
van de film in elke talkshow en noem maar op – om vervolgens weg te
zakken in een poel van big budget nonsens. ‘Les Rivières Pourpres’ was een
ongeloofwaardige pseudo-occulte thriller, ‘Gothika’ was een komedie die niet wist dat
hij een komedie was. Van de krachtige, gedreven jonge filmmaker
achter ‘La Haine’ bleef nog maar weinig over. Nog een geluk voor
hem dat films eeuwig meegaan, zeker de goeie. Meer dan tien jaar na
dato blijft Kassovitz’ doorbraakfilm een schrijnend actueel drama,
dat getuigt van een talent dat er nadien in zijn carrière nooit
meer echt is uitgekomen.

We volgen vierentwintig uur uit het leven van drie jongeren uit de
Parijse banlieus: Vinz (Vincent Cassel), Saïd (Taghmaoui) en Hubert
(Koundé). De eerste is joods, de tweede moslim, de derde een zwarte
over wiens religie weinig gezegd wordt. De avond voor de actie van
de film begint, werd Abdel, een jongen uit de buurt, door de
politie brutaal aangepakt. Hij kwam in coma terecht en er volgden
rellen. De volgende dag gaat het leven in de wijk echter gewoon
verder: Vinz, Saïd en Hubert lopen door de met spraypaint bespoten
straten, lummelen wat rond, zoeken ruzie met eender wie die wil
toehappen, kijken naar de wrakken van uitgebrande auto’s, vertellen
gore moppen, dagen de politie uit en wachten vooral af of Abdel
zijn verwondingen zal overleven. Onder alles wat ze zeggen en doen
schuilt een enorme agressie, een haat tegenover de politie en die
buitenwereld waar ze bitter weinig van te zien krijgen.

Een echt verhaal heeft ‘La Haine’ niet: Kassovitz schildert de
levensomstandigheden in de banlieus via een serie situaties
die de mentaliteit van de jeugd daar moeten illustreren. Hubert
verkoopt hash, niet omdat hij zo graag de criminaliteit in wil
raken, maar omdat hij geld aan z’n moeder moet geven om verder te
leven. Wanneer de drie vrienden naar het ziekenhuis gaan om Abdel
te bezoeken, worden ze tegengehouden door een politieagent, waarop
er uiteraard een ruzie volgt. Aan het begin van de film verzamelen
de jongeren van de wijk op een dak om hotdogs te eten, enkel om
vervolgens weggejaagd te worden – en vanzelfsprekend komt het tot
een conflict. Zo gaat dat maar door, de hele film lang. De indruk
die je krijgt, is dat de jeugd van die buitenwijk nergens enige
manoeuvreerruimte krijgt. Ze zitten vast waar ze zitten, en eens
dat besef doordringt, leidt dat automatisch tot een enorme haat
tegen de mensen die hen daar schijnen vast te houden. De politie,
politici, en alle anderen die de macht vertegenwoordigen, de
autoriteit. Constant, de hele film door, eisen de jongeren van de
banlieu respect – dialogen die continu terugkeren zijn “kun
je niet wat beleefder zijn?”, “zo spreek je niet tegen mij”, “tegen
wie denk je wel dat je het hebt” enzovoort. Ze worden door hun
leefomstandigheden zodanig in het defensief gedwongen dat àlles een
provocatie kan zijn. De ultieme ironie daarvan, mooi geïllustreerd
in de film, is dan nog dat het geweld zich zelden naar buiten
keert, maar veel vaker naar binnen. De rellen vinden plaats in hun
eigen wijk, ze branden hun eigen huizen plat, stampen hun eigen
wagens kort en klein.

Dat is een onderwerp dat nog altijd pijnlijk actueel is – eind
oktober 2005 braken er rellen los in de Parijse voorsteden die drie
weken duurden en zich uiteindelijk ook verplaatsten naar de stad
zelf. Een voorval dat verdacht sterk doet denken aan een
leitmotif uit de film: het verhaal van een man die van de
vijftigste verdieping naar beneden springt. Om zich moed in te
spreken, zegt hij tegen zichzelf, met elke verdieping die hij
passeert: “jusqu’ici, tout va bien”. Op een bepaald moment
is de val echter afgelopen en moet er een landing volgen. Met de
rellen van nog geen jaar geleden leek dat moment even aangebroken,
maar hey, enkele duizenden uitgebrande auto’s, daar valt een
democratie niet over – alles gaat weer net zoals vroeger. Tot er
weer rellen komen, ditmaal misschien nog erger, en we allemaal weer
kunnen beweren dat we het niet hadden zien aankomen. Als
situatieschets blijft ‘La Haine’ dan ook nog steeds even
relevant.

Als film is dit een formidabele prestatie. Kassovitz weet hier een
zeldzaam evenwicht te bewaren tussen ruw realisme en prachtige
filmische poëzie. Enerzijds krijgen we hyperrealistische dialogen
(de moeders van de personages worden chronisch beledigd) en
personages die zo uit de sloppenwijken gestapt hadden kunnen komen.
Maar anderzijds krijgen we heel wat elementen die de film
wegtrekken uit de banaliteit van de omgeving. Zo filmt Kassovitz in
een sfeerrijk zwart-wit en last hij regelmatig surrealistische
momentjes in: een scène waarin de camera plotseling over de
banlieu zweeft, bijvoorbeeld. Een scène waarin er een koe
komt voorbijgewandeld, zonder enige reden. Een bizar moment waarop
een oude man in een openbaar toilet opeens een lange monoloog
afsteekt over het belang van een goeie stoelgang. En ga zo maar
door. Met ‘La Haine’ bewijst Kassovitz zichzelf het soort cineast
dat Larry Clark nooit zal worden – hij beschrijft voor een groot
deel dezelfde problematiek, maar in plaats van die problemen uit te
buiten om de jongeren zo sensationeel mogelijk te kijk te zetten,
zoals Clark dat doet, gebruikt Kassovitz een glasheldere filmtaal
om de wortels van het probleem na te gaan. Hij veroordeelt zijn
personages niet, maar praat hun daden ook niet goed. Hij put geen
plezier uit het tonen van het geweld, maar schrikt er ook niet voor
terug. Hij gebruikt metaforen en surrealistische momenten, maar
plaatst zijn personages wél middenin de realiteit. Kortom,
Kassovitz weet perfect een evenwicht te bewaren tussen wat hij
nodig heeft om zijn onderwerp alle eer aan te doen (dat realisme)
en wat hij nodig heeft om interessante cinema te creëren (die
momenten die het realisme overstijgen).

‘La Haine’ is een film van een ongelooflijke intensiteit –
Kassovitz filmt heel wat scènes in één lang shot, wat de acteurs
toelaat om hun prestatie telkens van a tot z op te bouwen. Het
gevolg is dat alledrie de hoofdacteurs staan te knetteren dat het
een aard heeft. Vooral Vincent Cassel, op dat moment nog lang geen
grote naam, doet het scherm smeulen met een tomeloze energie en
charisma. Daarna heeft hij zelden nog zo goed staan acteren.

Dit is vooral een urgente film, een film gemaakt door jonge
kerels die absoluut hun ei kwijt wilden. Oké, soms ligt de
symboliek er wel wat té dik op (de borden met “le monde est à
vous”
zijn er een klein beetje over), maar dit is en blijft
ultragetalenteerde sturm und drang-cinema. Verdomme,
Kassovitz, waar zit je nu ergens met al je talent?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − 11 =