The World’s Fastest Indian




Zeg het vooral niet te luid, maar Anthony Hopkins zit nog eens in
een goeie film waarin hij géén kannibaal speelt. Dat was alweer een
tijdje geleden: in ‘Alexander’ draafde hij op als een
wauwelende Ptolomeus en in het onuitstaanbare melodrama ‘Proof’ als een zeurend spook. In
beide gevallen liet Hopkins zichzelf reduceren tot het cliché van
de patriarch, de oude kerel die ofwel zeer wijs, ofwel net zeer
dement aan het worden is. Maar sowieso een cliché. ‘The World’s
Fastest Indian’ is geen wereldschokkende cinema, maar op z’n minst
krijgt Hopkins nog eens de gelegenheid om aan te tonen dat hij nog
niet rijp is voor het bejaardentehuis. Als kijker krijg je dan weer
een fatsoenlijk in elkaar gestoken feel good movie, die je
allicht niet lang zal bijblijven, maar die in ieder geval leuk is
zolang hij duurt. Fair deal.

Het is 1962. Hopkins speelt Burt Munro, een ietwat zonderlinge
Nieuw-Zeelander die in een loods woont en daar heelder dagen aan
zijn oude Indian motorfiets uit de jaren ’20 sleutelt. Burts grote
droom is om met het bakbeest naar Amerika te gaan en daar deel te
nemen aan de “Speed Week” in Bonneville, Utah. Tijdens “Speed Week”
kunnen snelheidsfreaks allerhande hun vehikels laten chronometreren
in de hoop een snelheidsrecord te breken op de zoutvlaktes van
Utah. Burt, die last heeft van z’n prostaat en hart, weet dat als
hij dit jaar niet deelneemt, hij misschien nooit nog de kans zal
krijgen. Dus neemt hij een hypotheek op z’n huis en op een minimaal
budget trekt hij met z’n motorfiets naar de VS.

Op dat moment ontwikkelt ‘The World’s Fastest Indian’ zich tot een
soort van gezapige road movie, waarin Burt door de uitgestrekte
landschappen van het Midwesten rijdt in een tweedehands auto, met
de motor er achteraan op een geïmproviseerde aanhangwagen. Onderweg
ontmoet hij een aantal mensen, die allemaal gelijk smelten voor
zijn Kiwi-charme en zijn ontwapenende wereldvreemdheid. In die zin
doet de film sterk denken aan David Lynch’s ‘The Straight Story’: net als Alvin
Straight in die prent, is Burt Munro een figuur die volkomen
ontsnapt is aan elke vorm van cynisme. Hij heeft een doodeenvoudige
wereldvisie, die er ruwweg op neerkomt dat hij geen vlieg kwaaddoet
en hetzelfde goed fatsoen verwacht van anderen. Wanneer hij
vreemden ontmoet, gaat hij er altijd van uit dat dat wel
vriendelijke mensen zullen zijn met wie rustig gepraat kan worden.
Zijn reis doorheen Amerika is een prachtige belevenis voor hem,
simpelweg omdat hij nooit geleerd heeft om naar de wereld te kijken
als een duistere, gevaarlijke plek. Hij is gecharmeerd door
reclameborden en menukaarten met foto’s erop. Hij reageert
geamuseerd wanneer hij bijna een ongeluk veroorzaakt omdat hij aan
de verkeerde kant van de weg rijdt.

Regisseur Roger Donaldson laat die zonnige wereldvisie van Burt
Munro af en toe contrasteren met de werkelijkheid: de andere
deelnemers aan “Speed Week” hebben snel door dat Munro’s Indian een
wrak is dat z’n chauffeur met alle gemak de dood kan injagen. De
enige reden waarom ze hem toch laten deelnemen, is uit medelijden,
maar zo ziet Munro dat niet – voor hem is het eenvoudigweg een
overwinning. Onderweg naar Utah geeft Munro een lift aan een
soldaat die met verlof is van Viëtnam. ‘De oorlog daar zou over zes
maanden afgelopen moeten zijn,’ horen we hem zeggen. ‘Ik hou me
bezig met het besproeien van de jungle met Agent Orange.’ Munro
knikt en kan natuurlijk niet weten dat de oorlog in Viëtnam nog
tien jaar zal duren. Hij kan al helemaal niet weten dat Agent
Orange zo’n gevaarlijk isecticide is dat dat de soldaat naast hem
er Hodgkins, prostaatkanker, zenuwletsel en kinderen met een open
rug aan kan overhouden. Die scènes zijn belangrijk, aangezien ze de
avonturen van Burt Munro in een duidelijk historisch kader
plaatsen: dat van een land dat op het punt staat om zijn onschuld
te verliezen. ‘The World’s Fastest Indian’ toont de mens op z’n
best, op z’n vriendelijkst en z’n meest hulpvaardigst. Maar er
hangen al enkele donkere wolkjes in de lucht.

Dat hele verhaal wordt vlotjes verteld: Roger Donaldson, eerder al
verantwoordelijk voor films van wisselend allooi, genre ‘Thirteen Days’ en ‘The Recruit’, is niet bepaald de
meest opwindende regisseur ter wereld, maar hij is ook zelden saai.
Hier weet hij een verhaal waarin uiteindelijk maar weinig gebeurt
toch een zekere energie mee te geven, meer dan twee uur lang.
Donaldson bouwt op naar een duidelijke climax (de recordpoging) en
weet daarna zijn film dan ook tijdig af te ronden – dat is
zeldzaam, de laatste jaren. Geen ellenlange epiloog dus, gewoon de
feiten en afgelopen. Hij wordt ook geholpen door een sterke
centrale vertolking van Anthony Hopkins, die volgens mensen die het
kunnen weten een nauwkeurige imitatie geeft van de echte Burt
Munro. Nauwkeurig of niet, als personage kon ik in hem geloven, en
daar gaat het tenslotte over.

Wat overigens niet wegneemt dat wat meer informatie over die Burt
Munro best welkom was geweest: hier en daar vangen we iets op over
zijn vrouw die gestorven zou zijn, en hij vertelt zelf dat hij de
Eerste Wereldoorlog nog heeft meegemaakt, maar daar worden verder
niet echt veel woorden aan vuilgemaakt. Voor een film die twee uur
lang uitsluitend rond één personage draait, is het opmerkelijk hoe
weinig wezenlijks we over die persoon te weten komen. Ik had ook
vragen bij een scène waarin Burt onderweg aanbelt bij een eenzame
weduwe en dan maar gelijk bij haar in bed duikt. Ten eerste is
Anthony Hopkins lang niet zo onweerstaanbaar, en ten tweede hebben
we aan het begin van de film al gezien dat hij thuis een vriendin
heeft. Oude schuren die in brand vliegen, jaja.

‘The World’s Fastest Indian’ is conventionele feel good cinema.
Vakkundig in beeld gebracht, goed geacteerd en voorzien van een
optimistische, bijna naïeve wereldvisie waarin ik graag mag
geloven, al is het dan maar twee uurtjes lang. Niemand zal hier
lang van wakker liggen, maar het is degelijk werk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × vier =