Two For the Money




Fascinerend, hoe een acteur soms helemaal apart kan gaan staan van
de film waar hij inzit, om gewoon zijn eigen ding te doen. Neem nu
Al Pacino in ‘Two For the Money’: de film zelf is een weinig
memorabel, voorspelbaar thrillertje dat zonder noemenswaardige ups
of downs van de startlijn naar de eindmeet jogt. Je zult je er niet
bij vervelen, maar probeer een dag later de plot na te vertellen en
je zult moeite moeten doen om je de details te herinneren. Maar dan
is daar Pacino, die zich niets lijkt aan te trekken van het futloze
scenario waar hij inzit en élke scène speelt met een haast
grenzeloze intensiteit, waarbij hij regelmatig flirt met
overacting. Dat de schrijver niet bijster geïnspireerd was
en dat de regisseur hem nauwelijks kan volgen, interesseert Pacino
niet – de acteur staat gewoon moeiteloos geweldig te wezen,
ongehinderd door het veel lagere niveau van alles wat hem omringt.
Waar regisseur D.J. Caruso Pacino aan verdiend heeft is mij een
raadsel, maar de man mag alle heiligen van de kalender bedanken dat
hij hem heeft kunnen krijgen.

Matthew McConaughey speelt de hoofdrol als Brandon Lang, een
professionele footballspeler die na een zware blessure gaat werken
als handicapper. Tegen betaling gebruikt hij zijn expertise om
winnaars te voorspellen voor gokkers, en hij doet dat met zoveel
succes, dat hij al gauw wordt opgemerkt door Walter Abrams
(Pacino), een “sportconsulent” die vanuit New York werkt. De lat
ligt nu opeens veel hoger: in plaats van enkele honderden dollars,
zetten zijn cliënten er nu duizenden, in sommige gevallen zelfs
miljoenen in. Lang speelt voor grof geld en aanvankelijk loopt dat
goed – zijn neus voor winnende ploegen lijkt onfeilbaar. Tot het
allemaal mis loopt. Lang wordt arrogant en onvoorzichtig, en zijn
ster begint te tanen.

Ongeveer een uur lang laat ‘Two for the Money’ zich bekijken als
een aardig rags to riches verhaaltje, over een jongen die
football speelt en nog bij z’n moeder woont (ik dacht dat al die
topsporters stinkend rijk waren, maar goed, dat zal dan wel aan mij
liggen), om vervolgens tot instant-icoon van de nationale gokwereld
gekatapulteerd te worden. Lang koopt zich een nieuw pak, hij laat
z’n haar knippen en sjeest als een bezetene met zijn chique
sportwagen door het New Yorkse verkeer, terwijl Abrams van in de
coulissen toekijkt en ziet dat het goed is. Leuk – mensen met geld
zien smijten is nu eenmaal plezierig, zeker als je het zelf niet
kunt doen. Maar het is daarna dat het misloopt.

Want uiteraard – we bevinden ons in Hollywood – leidt hoogmoed tot
de val, en Caruso probeert wanhopig om enige dramatische
intensiteit te persen uit de scènes waarin Lang zijn greep op de
situatie verliest. We zien hoe het misloopt; de slechte weekends
waarin Lang geen enkele wedstrijd correct weet te voorspellen
stapelen zich op (“Misschien moeten we gewoon al je tips
omdraaien!”) en uiteindelijk treffen we hem aan op de vloer van een
herentoilet, zijn hemd drijfnat van het angstzweet, terwijl hij een
muntstuk opwerpt. Kruis, dan wint New York. Munt is het
Oklahoma.

En dat zou allemaal bijzonder aangrijpend moeten zijn, we zouden er
iets bij moeten voelen, maar dat doen we niet. Ten eerste niet
omdat we het allemaal al van een kilometer afstand zien aankomen:
we wisten al vanaf de eerste minuut dat het hierop zou uitdraaien,
dus we zijn erop voorbereid. En ten tweede omdat Matthew
McCounaughey, ondanks zijn indrukwekkende fysiek (die hij hier
uitgebreid tentoonstelt), nog steeds geen zwaargewicht is als
acteur. Hij speelt wanhoop en angst, maar die emoties blijven
ergens steken achter zijn naar de toneelschool ruikende
gezichtsuitdrukkingen. Hij spéélt het, hij ís het niet. Het gevolg
daarvan is dat de tweede helft van de film maar magertjes uitvalt.
Het plezier van het eerste uur sijpelt weg en de prent sleept zich
naar een voor de hand liggende finale.

Nee, dan liever Al Pacino, die niet alleen geweldig staat te
acteren, maar ook een veel beter personage heeft gekregen. Walter
Abrams is een loser die, naar eigen zeggen, kickt op het gevoel van
het verliezen zelf. Hij is een man die continu de indruk wil
krijgen dat hij àlles kan kwijtspelen, anders voelt hij niet dat
hij leeft. De ultieme kick komt er dan wanneer dat effectief
gebeurt. Pacino speelt de rol met zijn vertrouwde gusto, en
heeft een aantal monologen die van het scherm spatten met een
levendigheid die elders maar al te vaak ontbreekt.

De nevenpersonages, op hun beurt, zijn dan weer te weinig
ontwikkeld: René Russo krijgt nauwelijks de kans om een eigen
persoonlijkheid te ontwikkelen als Pacino’s echtgenote. Armand
Assante als gokkende gangster en Jeremy Piven als wonderkind op
zijn retour bieden interessante mogelijkheden voor het verhaal,
waar nooit iets mee gedaan wordt.

En dat typeert de hele film ook wel: er had heel wat ingezeten, het
gegeven op zichzelf is rijk genoeg om een goed thriller-drama uit
te puren. Maar bij elke wending kiest Caruso voor de meest
oppervlakkige, voor de hand liggende oplossing. En laat Pacino dan
nog zo goed zijn, die lacunes in het scenario en de uitvoering kan
niemand verbergen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 1 =