The Descent




Enkele jaren geleden maakte regisseur Neil Marshall de horrorfilm
‘Dog Soldiers’, een verrassend
genietbaar gore fest waarin een hoop weinig sympathieke
weerwolven van leer trokken tegen een stel hulpeloze soldaten. Zijn
tweedeling, ‘The Descent’, is in principe meer van hetzelfde: een
aantal vrienden wordt belaagd door een aanvankelijk onzichtbare
vijand die hen één voor één afmaakt. Maar net als vorige keer weet
Marshall alweer een leuke twist aan het oerklassieke genre te
geven. Bloed spat in het rond, goed van oren en poten voorziene
dames kressen zich een ongeluk en de setting is nog akeliger dan
Michael Jacksons slaapkamer.

Een jaar nadat Sarah (Shauna Macdonald) haar echtgenoot en kind
verliest in een auto-ongeluk, besluit ze om samen met een vijftal
vriendinnen op expeditie te gaan in een grot in de Appalachen. Het
is de eerste keer sinds het drama dat ze opnieuw met haar oude
bende op pad gaat, en de bedoeling is om op die manier het verleden
eindelijk achter zich te laten. Maar – probeer vooral niet van uw
stoel te vallen van verbazing – alles loopt verschrikkelijk mis
wanneer een onderaardse gang instort en de terugweg van de zes
dames verspert. Het enige dat ze kunnen doen, is verdergaan
doorheen de claustrofobische onderaardse gewelven, op zoek naar een
uitgang. Die toch al niet erg plezierige situatie wordt nog erger
wanneer blijkt dat er, diep onder de grond, een aantal venijnige
creaturen met scherpe tandjes rondlopen.

Zes vrouwen gaan een grot binnen, hoeveel zullen eruit komen? Een
traditioneler uitgangspunt kun je je nauwelijks voorstellen, met
dien verstaande dat we doorgaans een gemengd gezelschap van mannen
en vrouwen krijgen, zodat de filmmakers er nog wat seksuele
spanningen tegenaan kunnen gooien. Hoe dan ook, dit is een verhaal
dat u al eerder hebt gezien, en de voornaamste vraag is dan ook wat
Marshall heeft gedaan om de onvermijdelijke vergelijkingen met
andere genrefilms te doorstaan.

In de eerste plaats is het duidelijk dat de regisseur wel degelijk
heeft geleerd van ‘Dog Soldiers’. Zo
heeft ‘The Descent’ heeft een betere timing: Marshall laat tijdens
het eerste half uur de locaties voor zich spreken, hij laat de
benauwende omgeving rustig inwerken op het publiek en dàn, net
wanneer we daar stilaan aan beginnen te wennen, laat hij de
monsters op ons los. Een probleem waar alle films in dit genre mee
af te rekenen krijgen, is het feit dat je op een bepaald moment je
monsters moet tonen – je kunt geen hele film lang alleen met
geheimzinnige geluiden en rondflitsende schaduwen werken – en dat
die monsters nogal eens durven tegenvallen. In ‘Dog Soldiers’ was dat bijvoorbeeld een zeer
teer punt. Hier lost Marshall dat beter op – hij weet het langer te
rekken voordat hij iets moet laten zien, en wanneer het dan toch
niet anders kan, zijn we al zozeer bij de film betrokken dat we ons
er nauwelijks vragen bij stellen.

De fotografie doet veel: sinds zijn debuut heeft Marshall
beschikking gekregen over iets meer geld (hoewel dit nog steeds een
low budget-film is naar Amerikaanse standaards), en die extra
middelen vertalen zich naar een ongelooflijk sfeervolle
beeldvoering. De steadicam wordt stevig aangesnoerd om ons door de
desoriënterende gangen en gewelven te leiden, waarbij de belichting
vaak wordt geleverd door de lampen en vuurpijlen die de personages
bij zich hebben. ‘The Descent’ speelt zich – hoe kan het ook anders
– voor het overgrote deel in duisternis af, en het beperkte zicht
van de personages, dat niet verder reikt dan de paar luttele meters
voor hun neus, draagt bij aan de claustrofobische sfeer
ervan.

Marshall weet heel wat uit zijn setting te halen: nauwe doorgangen
die elk moment kunnen instorten, bodemloze schachten die overbrugd
moeten worden en zelfs een ruimte waarin de rottende lijken
opgestapeld liggen – één van de dames moet zich een weg doorheen
een letterlijk bloedbad werken en komt eruit gekropen als de lang
verloren gewaande zus van Carrie na het schoolbal. Natuurlijk is
het allemaal over de top – dat geldt voor heel de film – maar het
past wel bij het effect dat de regisseur probeert te
bereiken.

Wat het scenario betreft, is dit allemaal zo klassiek als de pest.
De obligatoire conflicten tussen de personages worden natuurlijk
weer duizendmaal uitvergroot eens de nood hoog wordt (“Jij had een
affaire met mijn man, jij trut!”), en natuurlijk moet elk volgend
slachtoffer een nóg bloederiger dood sterven dan het vorige.
Marshall kleurt nergens buiten de lijntjes, maar het leuke aan ‘The
Descent’ is dat hij binnen z’n conventionaliteit erin slaagt om de
wetten van genre quasi perfect toe te passen. Het enige punt waar
je écht kritiek op kunt leveren is het einde, dat er aan de haren
bijgesleurd is om toch maar een verrassing in het verhaal te kunnen
verwerken. Maar goed, dat neem je er dan maar bij.

‘The Descent’ is voer voor de liefhebbers: één van de personages
breekt een been en we zien het bot door haar vlees heenporren. Een
ander rukt een rib uit een lijk om het te kunnen gebruiken als
toorts. Ogen worden ingedrukt en hoofden vermorzeld. Maar dat alles
gebeurt op een mooi uitgecalculeerde manier, die getuigt van een
zeer grote filmische intelligentie. Of, om het uit te drukken op
een manier die bij de film past: yippie-ka-yee,
motherfuckers!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 3 =