In the Name of the Father




Voordat Jim Sheridan zich liet verleiden tot kleverige klooicinema
als ‘In America’, school er in de
man zowaar een krachtig filmmaker, die er van hield om af en toe
eens rel te schoppen. In 1993 kwam hij met zijn beste film tot op
heden: ‘In the Name of the Father’ is een diepgevoeld politiek
drama, dat nadien nog vaak geïmiteerd zou worden (vooral ‘Some
Mother’s Son’ was op identiek dezelfde leest geschoeid), maar nooit
geëvenaard.

Op 5 oktober 1974 liet het IRA een bom ontploffen in een pub in
Guilford, Engeland, met vijf doden tot gevolg. Enkele dagen later
werden in Belfast een jongeman genaamd Gerry Conlon en zijn hele
familie uit bed gelicht en opgepakt voor de aanslag. Gerry (Daniel
Day-Lewis) was een Ierse kruimeldief die net terug was van Londen,
waar hij een tijdje in een commune had gezeten om er te genieten
van vrije liefde en dope. Hij had niets met de hele zaak te maken,
maar de autoriteiten stonden onder zware druk om een
verantwoordelijke te vinden en namen hun toevlucht tot mentale en
fysieke martelingen om een bekentenis af te dwingen. Nadat er
dagenlang op Gerry werd ingeslaan, nadat hij dagenlang werd wakker
gehouden en bang gemaakt, ondertekende hij een verklaring. Hij en
zijn familie werden plotseling staatsvijanden, meedogenloze
moordenaars, die onder algemeen applaus werden veroordeeld tot
levenslange gevangenisstraffen. De rechter beet hen nog toe dat hij
het jammer vond dat de doodstraf was afgeschaft. Ettelijke jaren
later wordt de zaak heropend door ambitieuze advocate Gareth Peirce
(Emma Thompson) en blijkt dat de overheid bewust informatie heeft
achtergehouden die Gerry vrijpleitte.

De kracht van ‘In the Name of the Father’, is dat dit op de eerste
plaats een drama is, en pas op de tweede plaats een politiek
pamflet. Alles wat er Gerry overkomt, de hele problematiek van
Ierland versus Groot-Brittannië, wordt in de context geplaatst van
de relatie tussen een zoon en zijn vader. Gerry wordt in dezelfde
cel opgesloten als zijn ouweheer Guiseppe (Pete Postlethwaite) en
op die manier gedwongen om eindelijk vrede met hem te sluiten.
Guiseppe is een minzaam man, die zijn hele leven lang heeft
geprobeerd om met iedereen overweg te kunnen: glimlachen, met twee
woorden spreken, je plaats kennen, niet teveel problemen
veroorzaken. Wanneer hij na de ondervragingen zijn zoon opnieuw
ontmoet, in voorhechtenis, vraagt hij hem ernstig: ‘Ben je
schuldig, jongen?’ Waarom? Omdat de man zoveel instinctief
vertrouwen heeft in de overheid, in de autoriteiten die er zijn om
hem te helpen, dat hij niet kan geloven dat iemand volstrekt
onschuldig z’n hele leven kan afgenomen worden. Zelfs niet wanneer
het hemzelf overkomt.

Je zult bij zo’n man maar eens moeten opgroeien in het Belfast van
de jaren zeventig – het hoogtepunt van de vijandigheden tussen de
Ieren en de Britten. Terwijl er buiten rellen aan de gang zijn,
zegt je vader je thuis dat je braaf volgens de regels moet spelen.
Gerry heeft zich helemaal van zijn vader afgekeerd, maar wordt nu
verplicht om elke dag tussen dezelfde vier muren met hem te zitten.
Sheridan neemt hier een loopje met de werkelijkheid – Gerry en
Guiseppe Conlon hebben zelfs nooit in dezelfde gevangenis gezeten,
laat staan in dezelfde cel – maar hij doet dat om een goeie reden:
die vader-zoon relatie biedt een menselijk gezicht aan wat anders
een onpersoonlijke politieke donderpreek zou zijn geweest. De
verstandshouding tussen vader en zoon wordt hier gebruikt om de
groei van Gerry als personage aan te geven. Hij begint als een
onnozel groot kind, dat zelfs tijdens de rechtzaak die over zijn
leven zal beslissen nog steeds gekke gezichten trekt en grapjes
maakt. Tijdens zijn gevangenschap evolueert hij langzaam maar zeker
naar een volwassen man, intelligent en welbespraakt, die leert
vechten voor zijn vrijheid en die leert hoe hij van zijn vader kan
houden zonder zijn eigen ideeën af te vallen.

Het is in dat persoonlijke drama dat het hart van het verhaal zit,
niet in de politieke inhoud. Hoewel Sheridan er natuurlijk ook niet
vies van is om de Britten een flinke veeg uit de pan te geven. De
folterscènes zijn zenuwslopend om te bekijken, maar uiteindelijk
klein bier in vergelijking met de achteloze overtredingen van het
hooggerecht, mensen die de waarheid wisten, maar die het gewoon
niet kon schelen. Emma Thompson krijgt aan het einde van de film
een vlammende speech die (ja, oké, ik geef toe) misschien een
beetje naar Hollywood-pathetiek neigt, maar sowieso de boodschap
meer dan duidelijk maakt.

In essentie is dat natuurlijk allemaal vrij obligate kost: jongen
wordt volwassen door traumatiserende ervaringen, vader en zoon
leren elkaar graag zien en ondertussen komen we te weten dat
bekentenissen uit verdachten slaan niet netjes is. Een andere
regisseur had van precies diezelfde thema’s misschien een
melodramatische draak gemaakt. Maar Sheridan benadert zijn verhaal
met zo’n oprechte woede, dat het moeilijk wordt om er niét in mee
te gaan. Hij schudt steeds opnieuw fenomenale scènes uit z’n mouw
die een ontstellende waarachtigheid aan de film geven. Het
hoogtepunt hiervan is wellicht het moment waarop alle gevangenen,
in een teken van solidariteit met Gerry, een stukje wc-papier in
brand steken en door de tralies van hun vensters op de binnenplaats
werpen.

En de regisseur krijgt natuurlijk de hulp van Daniel Day-Lewis, die
hier naar goede gewoonte alweer een method-prestatie van
heb-ik-jou-daar neerzet. Day-Lewis probeert nooit om Gerry
sympathieker te maken dan hij is, maar bouwt die overgang van
kinderlijke kwast naar volwassen vent zeer geleidelijk op. Af en
toe krijgt hij de kans om echt loos te gaan in een emotionele
uitbarsting, maar die gelegenheden zijn zeldzaam, en wat we ons
achteraf het meest herinneren, zijn de stille momentjes. De manier
waarop Gerry het nieuws krijgt van de dood van Guiseppe,
bijvoorbeeld. Hij zit al urenlang op een stoeltje in z’n cel op
nieuws te wachten, krijgt het tenslotte te horen en vertrekt geen
spier. Hij zegt kortweg “dank u” tegen de cipier die het hem komt
melden en staart verder strak voor zich uit. En dat is het dan, dat
is alles, maar het zegt meer dan duizend woorden.

Over de Ierse kwestie zijn uiteraard al veel films gemaakt, maar
wat ‘In the Name of the Father’ zo bijzonder maakt, is dat het
menselijke drama vooraf gaat aan de politieke inhoud, iets dat in
(nochtans respectabele) films als pakweg ‘Bloody Sunday’ nog wel eens anders durft
te zijn. Dit is geen prent over een thema of concept, maar over
mensen – mensen die na het kijken nog lang door je hoofd blijven
spoken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 1 =