The Cat’s Meow




Peter Bogdanovich is één van die regisseurs wiens carrière tijdens
de voorbije dertig jaar zoveel hoogte- en dieptepunten heeft gekend
dat niemand nog weet of je hem nu een succes moet noemen of niet.
Hij begon in de jaren zeventig met een paar geweldige films als
‘The Last Picture Show’ en ‘Paper Moon’, enkel om vervolgens te
verzanden in een hel van middelmatige flutfilmpjes en persoonlijke
schandalen. Nu staat hij algemeen bekend als een belangrijk
filmhistoricus, iemand die Orson Welles en andere grootheden van
het Oude Hollywood persoonlijk heeft gekend, maar die wat z’n eigen
carrière betreft, altijd tot de beloftevolle mislukkingen is
blijven behoren. ‘The Cat’s Meow’, uit 2001, is wellicht z’n beste
film in bijna twintig jaar, hoewel geen hond hem ooit gezien heeft,
en verraadt al die obsessies waar Bogdanovich bekend voor staat: de
filmsterren en machtige mannen achter de schermen van de jaren
twintig, geheime liaisons, smerige deals en de allesoverheersende
macht van geld.

Het verhaal is ontleend aan één van de meest intrigerende legendes
uit de geschiedenis van de cinema: mediamagnaat William Randolph
Hearst (die notoir model stond voor Orson Welles’ ‘Citizen Kane’) nodigde op 15 november 1924
een tiental mensen uit voor een weekendje op zijn privéjacht, waar
ze de verjaardag zouden vieren van filmproducent Thomas Ince.
Tegenwoordig is niemand het er over eens wie er allemaal aanwezig
was, maar voor deze film houdt men het op Hearst (Edward Herrmann)
en zijn veel jongere maîtresse Marion Davies (Kirsten Dunst),
Charlie Chaplin (Eddie Izzard), schrijfster Elinor Glyn (Joanna
Lumley), Ince zelf (Cary Elwes) en zijn minnares Margaret
Livingston (Claudia Harrison), roddelcolumniste Louelle Parsons
(Jennifer Tilly) en nog enkele anderen. Tegen het einde van dat
weekend werd Ince met een kogelwonde in het hoofd overgebracht van
San Diego naar zijn huis in Los Angeles, waar hij twee dagen later
stierf. Er werd nooit een autopsie uitgevoerd en er kwam nooit een
politieonderzoek. De officiële versie luidt dat Ince stierf aan een
acute aanval van indigestie, maar aangezien dergelijke aanvallen
zelden of nooit gepaard gaan met kogelwondes in het hoofd, blijft
het maar de vraag wat er werkelijk gebeurd is. ‘The Cat’s Meow’,
gebaseerd op een toneelstuk van Steven Peros, verhaalt naar eigen
zeggen het gerucht dat het vaakst verteld wordt, hoewel
uiteindelijk iedereen er het raden naar heeft.

Bogdanovich amuseert zich kostelijk met het terug tot leven roepen
van die tijd – hij is gefascineerd door dat tijdperk toen
filmsterren nog een soort van royalty waren, waar naar werd
opgekeken. Tegenwoordig weten we alles over elke scheet die elke
filmster laat, er is geen greintje mystiek meer mee gemoeid – ze
zijn loslopend wild voor de roddelpers, hun privé-pornovideo’s
eindigen op het internet en ze komen zelf te weten dat ze gaan
scheiden door naar het Entertainment Channel te kijken. In de jaren
twintig en dertig was dat anders – het leven in Hollywood was er
één van ongekende privilege, waarin je met geld niet alleen huizen
en privé-jets kon kopen, maar ook populariteit. Als je maar genoeg
geld had en je verscheen op genoeg society-gelegenheden, stond je
haast automatisch boven de wet omdat iedereen ervan uitging dat
iemand die in de filmbusiness zat tóch nooit iets verkeerds zou
durven doen. Het was, dixit Bogdanovich in deze film, een leven van
illegale drank, vrolijke rondneukerij en de Charleston.

Het is dan ook ironisch dat niemand op die boot specifiek gelukkig
blijkt te zijn, en de regisseur is erg helder in de manier waarop
hij z’n personages tekent. Hearst is een paranoïde, oudere man die
als de dood is dat Chaplin er met z’n lief vandoor zal gaan – hij
is één van de rijkste en machtigste mannen op aarde, maar wat hij
nooit heeft kunnen kopen, is het gevoel dat hij graag gezien wordt.
Hoe banaal dat ook klinkt, het is wel een belangrijke drijfveer
voor z’n personage, die door Herrmann op een fantastisch
overtuigende manier wordt weergegeven. Chaplin, op zijn beurt,
heeft net een flop achter de rug (‘A Woman of Paris’), en heeft de
zestienjarige hoofdrolspeelster van z’n nieuwe film, ‘The Gold
Rush’, zwanger gemaakt. Thomas Ince zelf krijgt het gevoel dat z’n
ster in Hollywood aan het tanen is en rekent erop dat Hearst hem
zal kunnen helpen om er bovenop te komen. En Louella Parsons is op
dit moment een kleine garnaal in de roddeljournalistiek, die later
nog Hearsts persoonlijke pitbull zou worden en onder andere een
bittere oorlog zou uitvechten tegen Orson Welles toen ‘Citizen Kane’ uitkwam. ‘The Cat’s Meow’
wordt bevolkt door mensen die alles hebben, maar nog méér willen.
Ze zijn stinkend rijk, maar ongelukkig.

Bogdanovich introduceert die personages in wat je een Robert
Altman-stijl zou kunnen noemen: hij gooit ze eerst allemaal
tegelijk in het strijdperk, enkel om dan, tijdens het eerste half
uur, de tijd te nemen om ze één voor één aan de kijker voor te
stellen. Op de manier zorgt hij ervoor dat hij geen kwartier moet
wachten vooraleer hij de plot op gang kan trekken – dàt is het
eerste dat hij doet, daarna keert hij terug naar de personages. Het
helpt als je een beetje vertrouwd bent met de geschiedenis van
Hollywood van die tijd, maar strikt noodzakelijk is het niet. Wie
Hearst niet kent, zal een even boeiende film zien, alleen zullen
wat kleine nuances je ontgaan.

De acteerprestaties helpen daarbij: Herrmann, een betrouwbaar
karakteracteur, schetst Hearst als een zeer kwetsbaar persoon, die
zich achter z’n geld verschuilt om niet te laten merken hoe bang
hij wel is om alleen en ongeliefd te zijn. Kirsten Dunst verrast
eveneens in haar rol als Marion Davies en toont dat ze met de
juiste regisseur achter de camera best wel wat in haar mars heeft.
De andere acteurs zijn misschien minder opvallend sterk, maar er
valt niet één acteerprestatie terug te vinden die het niveau naar
beneden haalt.

Voor een groot deel draait ‘The Cat’s Meow’ rond de mythe van de
jaren twintig, waarin vrouwen gekleed gingen in uitzinnige
glitterjurken, sigaretten door pijpjes gerookt werden en langs alle
kanten swingmuziek klonk. Bogdanovich laat z’n camera op sierlijke
wijze doorheen dit gepolijste wereldje glijden, en gebruikt de
Charleston als belangrijkste muzikale element, omdat die muziek
onmiddellijk herinneringen oproept aan de beelden die we allemaal
hebben van dat tijdperk – een clichébeeld, misschien, maar als je
zo creatief kunt omspringen met dat cliché als Bogdanovich hier,
dan màg dat best.

‘The Cat’s Meow’ is een vergeten pareltje. Oké, tijdens het laatste
half uur gaat het allemaal een beetje lang duren, maar who
cares?
Trek uw beste pak aan, schenk uzelf een martini in en ga
op zoek naar deze film. U zult het zich niet beklagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 5 =