Indiana Jones and the Temple of Doom

‘En nu doen we er nog een schepje bovenop,’ moet Steven Spielberg
gedacht hebben toen hij in 1983 begon te werken aan zijn opvolger
voor ‘Raiders of the Lost
Ark’
. Die eerdere film was al een opgefokt, door pure
adrenaline gedreven roetjsbaanrit geweest, maar de wetten van de
economie dicteren nu eenmaal dat je de tweede keer met iets nóg
straffers uit de hoek moet komen, dus is dat waar de regisseur z’n
zinnen op zette. In zekere zin heeft hij dat ook gekregen – ‘Temple
of Doom’ gaat nóg sneller vooruit dan z’n voorganger, er zit nóg
meer actie in, nóg meer wilde fratsen. In feite is “nóg” wel zo’n
beetje hét bepalende woord voor ‘Temple of Doom’. Maar het gevolg
was dat de tweede Indyfilm over de top ging, dat de prent
uiteindelijk bezweek onder z’n eigen hyperactiviteit. Je kunt maar
zoveel actiescènes in een film stoppen vooraleer het publiek er
genoeg van heeft, een mentale knop omdraait en niet meer actief
meevolgt. Dan krijg je zo’n actiefilm die enkel van je verlangt om
daar een beetje passief te zitten en het allemaal over je heen te
laten waaien – de laatste jaren rekent zowat élke actiefilm op dat
effect, de occasionele uitzondering (‘Spider-Man 2’) daargelaten. ‘Temple
of Doom’ krijgt tegen het einde ook last van dat syndroom. Je
krijgt een climax met de wagentjesrace. Dàn krijg je er nog één
wanneer onze helden dreigen weggespoeld te worden door een enorme
stroom water. Dan nóg één wanneer de slechteriken Indy klemzetten
in het midden van een metershoge hangbrug. Nóg, nóg, nóg.

In dit tweede deel van de Indytrilogie crasht onze
archeoloog-avonturier in India, samen met Short Round, zijn
tienjarige loopjongetje, en Willie Scott (Kate Capshaw), een
verwende, arrogante zangeres die hij onderweg heeft opgepikt. De
drie komen terecht in een armtierig dorpje in India waar alle
kinderen gekidnapt zijn door de boze mannen van het nabije
Pangkot-paleis. Indy en gezelschap besluiten naar het paleis te
trekken om te kijken wat er aan de hand is, en stuiten op een
boosaardige sekte.

Voor de meeste mensen – inclusief ondergetekende – is ‘Temple of
Doom’ de minst geslaagde aflevering uit de reeks, voornamelijk
omdat hij ervaren wordt als een zeer duistere film. In ‘Raiders of the Lost Ark’ kreeg je
geen buffet aan gruwelijke gerechten genre oogballensoep en
apenhersenen, je moest niet toezien hoe de hoofdactrice tien
minuten lang bekropen werd door wansmakelijke insecten of hoe een
weinig fortuinlijke figurant z’n hart werd uitgerukt. De sfeer van
‘Temple of Doom’ is veel minder onschuldig – de ongebreidelde fun
van deel één heeft moeten plaatsmaken voor een relatief duistere
visie. En tóch, als je de film een tweede keer ziet, moet je
opmerken dat die reputatie van ‘Temple of Doom’ als een donkere
film enkel te danken is aan drie of vier sequensen – de insecten,
de hartscène en één waarin Indy tijdelijk gebrainwashed wordt door
de sekte, zodat hij zich tegen z’n eigen vrienden keert. Alles
tesamen genomen zijn dat misschien veertig minuten van de film.
Alles daarvoor en daarna had net zo goed in ‘Raiders’ kunnen zitten, of in
‘The Last Crusade’, opnieuw
een veel luchiger Indy-spektakel. Maar die veertig minuten wegen
door, en geven de impressie van een duistere, gewelddadige
film.

Minder terecht was de kritiek op Kate Capshaw als vrouwelijk
aanhangsel van dienst. Er werden regelmatig opmerkingen gemaakt
over het feit dat Capshaw een hele film lang niets anders doet dan
schreeuwen en gillen, en dat ze in zekere zin een belichaming is
van de kwetsbare, bange dame in nood die zich zorgen maakt over
haar nagels terwijl ze wacht tot de koene, mannelijke held haar
komt redden. Tot op een bepaalde hoogte is dat waar, maar de
Indiana Jonesfilms zijn dan ook gebaseerd op serials uit
de jaren dertig, toen de rol van vrouwen in avonturenfilms nog
helemaal anders lag dan in de jaren tachtig. Bovendien fungeert de
rol van Willie Scott ook als parodie op juist dat soort
vrouwenrollen – Capshaw loopt zodanig hysterisch te gillen, stelt
zich zodanig aan, dat ik nog geen twee minuten wil geloven dat dat
effectief de manier is waarop Steven Spielberg of George Lucas
tegen vrouwen aankijken. Ik denk eerder dat de filmmakers zich hier
amuseren met een cliché, en dat veel critici dat simpelweg hebben
opgevat als een bevestiging van dat cliché.

De technische kwaliteiten van Spielberg als regisseur staan in
ieder geval als een paal boven water – ‘Temple of Doom’ is nog
steeds, net als ‘Raiders’,
met momenten een zeer geestige film, waarin een aantal fantastische
set pieces zitten. De speciale effecten komen nu, twintig jaar na
dato, wellicht een beetje verouderd over, maar toon mij een kijker
die niet op het puntje van z’n stoel zit tijdens de wagentjesrace,
en ik zal u een persoon zonder emoties tonen. En dan is daar
natuurlijk nog Harrison Ford, die doorheen de hele trilogie een
mooie kruising weet te creëren tussen een onverstoorbare held en
toch ook een komische figuur die dikwijls de risee van het verhaal
is. Neem bijvoorbeeld Indy’s heldhaftige pogingen om het
mijnwagentje tot stilstand te brengen door het met z’n voeten af te
remmen. Het lukt hem, maar vlak na de eerste opluchting komt het
besef dat z’n voeten in brand staan. Wat zo leuk is aan Indiana
Jones, is het feit dat hij eigenlijk geen idee heeft waar hij mee
bezig is. In ‘Raiders’ zat
een geweldige regel dialoog, waarin John-Rhys Davies als Sallah hem
vroeg wat hij van plan was. Indy’s antwoord: ‘Geen idee, ik verzin
dit ook maar gaandeweg.’ Die mentaliteit zit hier ook nog steeds in
– hij doet maar wat, en dan zien we wel verder.

‘Temple of Doom’ wil zodanig z’n voorganger overtreffen dat hij
zich uiteindelijk vergaloppeerd en hij is te duister om heel de
tijd genietbaar te blijven. Dat is een gegeven. Maar zeg er maar
van wat je wil, de actiescènes zijn spectaculair, de humor werkt
nog steeds en Ford is de enige echte Indiana Jones, geïrriteerde
grijns, stoppelbaardje en bezweet gelaat inbegrepen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 − 9 =