Moby :: Hotel

We zijn hem kwijt, vrees ik. En is het niet voor eeuwig, dan toch
voor heel lange tijd… Om met de deur in huis te vallen: ‘Hotel’ is
de meest ontgoochelende verzameling songs die de Amerikaan Richard
Melville Hall ooit op plaat heeft gezet. De single ‘Lift Me Up’,
die hier sinds enkele weken volop airplay krijgt (en dit ten koste
van heel wat andere, jonge bands die er ons inziens meer recht op
hebben) liet al het ergste vermoeden, maar dat het zo erg ging
worden, dat hadden we nooit verwacht.
Eén ding wil ik duidelijk stellen: ik behoor geenszins tot het kamp
van Moby-haters, integendeel. Ik heb niet zitten wachten tot de
gelegenheid zich zou voordoen om eindelijk eens ferm uit te halen
en die lelijke, kleine Amerikaan met de grond gelijk te maken. In
de jaren ’90 had ik de Moby-microbe goed te pakken, elke nieuwe
release werd onverwijld (jaja!) in huis gehaald en kampeerde
vervolgens maanden aan een stuk in mijn cd-speler. Het is dan ook
klotejammer dat de creativiteit de laatste jaren omgekeerd
evenredig is aan het commerciële succes (wat we hem overigens niet
misgunnen). Het is dan ook met pijn in het hart dat we Moby deze
keer met een slecht rapport naar huis sturen. De reclamewereld, de
uitbaters van shoppingcentra en de makers van reisdocumentaires
zullen daarentegen zeer in hun nopjes zijn met deze plaat…

Wie is (was) Moby voor ons? Een grappig, eigenzinnig kereltje
(verlegen maar sympathiek, zo leerde een eenmalige ontmoeting), dat
ons met elk nieuwe plaat weer wist te verrassen. En ook al draaide
het natuurlijk in de eerste plaats om de muziek, we vonden het ook
leuk dat hij een aantal principes huldigde (behalve dat
christenen-gedoe) waarachter we ons wel konden scharen. Ongeacht de
stijl waarmee hij uitpakte (of de nom de plume waarachter
hij schuilging), het klonk in de eerste plaats allemaal heel erg
Moby…
Zijn muzikale carrière begon in de jaren ’80, toen hij als puber
deel uitmaakte enkele van punk- en hardcorebands. Hij liet echter
voor het eerst echt van zich horen in de jaren ’90, toen hij zich
op de dance stortte. Hij bracht aan de lopende band maxi’s uit
(onder de meest uiteenlopende schuilnamen: Voodoo Child, Barracuda,
Mindstorm, Brainstorm, UHF, …) en scoorde in 1991 een hit met ‘Go’,
het nummer waarin hij ‘Laura Palmer’s Theme’ (uit de legendarische
tv-reeks ‘Twin Peaks’) voorzag van beats en een ijle vrouwenstem.
Het nummer stond een jaar later op de titelloze langspeelplaat, die
verscheen op het New Yorkse Instinct Records, naast andere knallers
als ‘Ah Ah’, ‘Drop a Beat’ en ‘Next is the E’. In 1993 bracht
Instinct Records (evenwel zonder de volledige goedkeuring van Moby
zelf) nog twee platen uit: ‘Ambient’ – een vlag die de lading net
iets te nadrukkelijk dekte – en ‘Early Underground’, een
verzamelaar met de hoogtepunten uit de maxi’s en e.p.’s die
verschenen in ’90 en ’91. Medio jaren ’90 was het uit met de
underground Moby. Hij stapte over naar Mute en bracht het
gevarieerde ‘Everything is Wrong’ uit, een uiterst gevarieerde
plaat waarmee hij een al even divers publiek bereikt. In ’96 stond
hij wekenlang in De Afrekening met ‘That’s When I Reach For My
Revolver’, nog een jaar later bouwt hij het ‘James Bond Theme’ om
tot een monsterhit.

En dan was er ‘Play’… Een heel leuke plaat, maar zeker niet zijn
beste. Aanvankelijk bleef het grote succes nog even uit, maar toen
enkele grote bedrijven de man aanzochten om zijn deuntjes te mogen
gebruiken om hun reclamespots op te smukken, was het hek van de dam
en werd Moby een wereldster. Nu is het algemeen geweten dat zulks
nefast kan zijn voor zaken als zelfkritiek en zin voor realiteit.
Toen in 2002 opvolger ’18’ verscheen kregen we dan ook méér van
hetzelfde voorgeschoteld. Weerom: niet slecht, maar eerlijk gezegd
niet goed genoeg om zonder blozen naast het oudere werk te mogen
staan.

Enkele maanden geleden lazen we op de website dat Moby op de
nieuwe, in het voorjaar van 2005 te verschijnen plaat, andere paden
zou bewandelen. De nieuwe cd zou vooral een ongecompliceerde
popplaat worden, zonder samples, maar met Moby zelf achter de
microfoon. Die ligt sinds vorige week in de winkels en was deze
week twee dagen te horen op VPRO’s Schand…, euh, Luisterpaal. Héél
slecht is ‘Hotel’ nu ook weer niet, maar voor iemand als Moby is
het resultaat verre van voldoende.

‘Hotel Intro’ is een instrumental zoals hij er in het verleden al
zoveel heeft gemaakt (wijds uitwaaierende, zweverige lagen synths)
en toen ook al vooral dienden als wachtmuziekje tussen twee songs.
Nummer twee, ‘Raining Again’, weet zelfs onze goedkeuring weg te
dragen. Even denken we dat het met de rest van de plaat ook wel
allemaal zal meevallen, maar die hoop wordt al gauw gekelderd met
‘Beautiful’ en ‘Lift Me Up’, de manke broertjes van ‘Raining
Again’. Tijdens ‘Where You End’ roepen we “Hier! Nog voor het
einde van deze song!
“, en zitten we met onze gedachten al
helemaal bij ons boodschappenlijstje voor zaterdag.

En zo kabbelt deze plaat maar voort tot we veertien nummers hebben
doorgeslikt, als waren het soeplepels levertraan. Hier en daar
horen we nog een aanzet tot een leuke song, maar het klinkt
allemaal zo duf, zo droog, zo saai, zo weinig doorleefd. Dat Moby
geen zanger is (en ook geen moeite doet om dat te verbergen) komt
het niveau van de plaat uiteraard niet ten goede, maar zelfs de
vocale bijstand die wordt verleend door Laura Dawn kan de pil niet
vergulden. Positief punt evenwel: ook al deugt het merendeel van de
songs niet, het is en blijft een hele plaat 100% Moby, en dat geeft
toch nog steeds een klein beetje een vertrouwd gevoel. Sommige
nummers mogen voor mijn part gerust verschijnen op een verzamelaar,
zoals het strakke ‘Very’, het aanstekelijke ‘Slipping Away’ en het
trage ‘Forever’ (waar hij ons dan wel weet te pakken). Wat hij
echter uitsteekt met ‘Temptation’ van New Order komt dicht in de
buurt van heiligschennis. Het zou de Britten niet echt tot eer
strekken indien zij na deze schabouwelijke cover ooit nog het
podium willen delen met Moby, om een oude Joy Division-song te
spelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 5 =