De Indringer




Zou het een toeval zijn dat een aantal van de meest opmerkelijke
Vlaamse films van de laatste jaren rechtstreeks of onrechtstreeks
met kindermisbruik te maken hebben? In ‘De Zaak Alzheimer’ maakte kinderprostitutie
een belangrijk deel uit van de plot. In ‘De Kus’ kregen we een scenario rond een
tiener die thuis mishandeld wordt en in de handen van een pooier
terechtkomt. En nu is er ‘De Indringer’, waarin een veertienjarig
meisje plotseling spoorloos verdwijnt. De verhalen van deze films
refereren nergens openlijk naar de Dutroux-affaire, maar de zaak
speelt haast onvermijdelijk mee voor elke Belg die ernaar gaat
kijken. We horen de woorden “kinderen” en “verdwijning” of
“mishandeling” in dezelfde zin, en haast automatisch keren onze
gedachten daar naartoe – elke film met een verhaal dat ook maar een
béétje in die richting gaat, krijgt meteen een extra emotionele
lading. De makers van ‘De Indringer’ zijn wat dat betreft niet aan
hun proefstuk toe: regisseur Frank van Mechelen en scenarist Ward
Hulselmans waren eerder al verantwoordelijk voor de tv-reeks
‘Stille Waters’, een serie die niets aan de verbeelding van de
kijker overliet met z’n evidente knipogen naar Dutroux, de Witte
Beweging enzovoort.

‘De Indringer’ draait rond Tom Vansant (Koen De Bouw), een
Brusselse urgentie-arts wiens dochtertje, Louise, van de ene dag op
de andere spoorloos verdwijnt. Achttien maanden nadien is hij nog
steeds obsessief naar haar op zoek – zijn leven heeft geen enkele
betekenis meer buiten zijn speurtocht naar de waarheid, waarbij
alle goede raad van een bevriende politieagent, gespeeld door Axel
Daeseleire, in dovemansoren valt.

Dan, op een avond, maakt Tom kennis met de veertienjarige wegloper
Charlotte (Maaike Neuville), die beweert dat ze Louise gezien
heeft. Het spoor leidt naar een geïsoleerd dorpje in de Ardennen,
dat blijkbaar onder de knoet leeft van de plaatselijke boswachter,
Roland Dunewolt (Filip Peeters). Naarmate Tom meer te weten komt
over de geheimen van het dorpje, de waarheid omtrent Charlotte en
het lot van zijn eigen dochter, maken de dorpelingen het steeds
duidelijker dat indringers niet gewenst zijn.

Van Mechelen en Hulselmans weten hun film een geweldige set-up te
geven – na enkele introductiescènes, waarin we het personage van
Koen De Bouw leren kennen, krijgen we een flash-forward naar
anderhalf jaar later. Wat er in de tussentijd gebeurt, krijgen we
niet te zien, en het is pas ergens halverwege dat we dat te weten
komen. Ik mag er niet aan denken te verraden wàt de plotwending
precies inhoudt, maar het effect ervan is enorm, bijna alsof de
hele film opnieuw begint – de zoektocht van Tom Vansant krijgt
opeens een radicaal andere invulling, onze mentaliteit tegenover de
film verandert aanzienlijk. Het getuigt van veel lef dat de makers
zo’n structuur hebben durven gebruiken – voor hetzelfde geld had de
hele prent vanaf dat moment dood in het water gelegen – maar het
wérkt.

Bovendien profiteert Van Mechelen van de fotografie van Lou
Berghmans, die werkelijk druipt van de atmosfeer. Oké, het idee om
de hele film te baden in grijze, grauwe kleuren is nu niet bepaald
wereldschokkend vernieuwend, maar kijk naar de manier waarop er met
locaties gewerkt wordt: de Ardeense bossen hebben er nog nooit zo
troosteloos vochtig, eenzaam en verlaten uitgezien. Kijk eens naar
die belichting tijdens een bedscène tussen De Bouw en Els
Dottermans – het shot komt zó uit ‘The
Sweet Hereafter’
weggelopen, maar mooi, mensen, mooi! Om nog
maar te zwijgen van de vele close-ups van Koen De Bouws
moegetergde, door maandenlange paranoia geteisterde gezicht. De
Bouw is toch al iemand met een veelzeggende karakterkop (zie
‘De Zaak Alzheimer’), maar in ‘De
Indringer’ trekt hij pas echt van leer: de man lekt uit elke porie
weltschmerz – een hele school vol gedeprimeerde pubers heeft
er niks tegen.

De Bouw wordt geflankeerd door een heerlijk ranzige Filip Peeters
als boswachter Dunewolt, door Els Dottermans, meer dan degelijk
zoals altijd, maar vooral door Maaike Neuville als de jonge
Charlotte – ‘De Indringer’ is haar eerste film, maar de
zelfverzekerdheid en de naturel die ze hier tentoonstelt, is
werkelijk indrukwekkend. Neuville moet hier een overgang opbouwen
van een bang, verloren gelopen tienertje op een politiebureau aan
het begin van de film, naar een volbloed mini-vamp die alle mannen
van het dorp willens en wetens het hoofd op hol brengt. En niet
alleen is ze altijd geloofwaardig, maar wanneer het erop aankomt,
zorgt ze er zelfs voor dat we als kijkers haar beweegredenen kunnen
begrijpen en sympathie kunnen opbrengen. Faut le
faire
.

Waar de film toch in de problemen komt, is in de ontknoping. Eén
van de redenen waarom ‘De Zaak
Alzheimer’
zo goed was, was omdat de informatie over de plot
mondjesmaat werd losgelaten. Er zat nergens een lange monoloog in
de prent waarin het hele verhaal uit de doeken werd gedaan – in
plaats daarvan kregen we op verschillende momenten doorheen de film
stukjes van de puzzel in handen, die aan het einde allemaal netjes
in elkaar pasten. In het geval van ‘De Indringer’ heb je zo’n
monoloogscène wél. Aan het einde is er één personage dat simpelweg
uitlegt hoe het allemaal in elkaar zit. Dat getuigt nu niet bepaald
van veel fantasie bij het schrijven. Ook klinken sommige dialogen
vervaarlijk literair: Koen De Bouw vertrouwt Els Dottermans toe dat
er “een legioen aan geesten” door z’n kop spookt, vooraleer hij
haar verwijt: ‘Gij zijt een weduwe. Voor een vent die z’n kind
verliest bestaat er niet eens een woord.’ Het probleem met dat
soort teksten – en dit zijn dan nog niet eens de ergste voorbeelden
– is niet zozeer dat ze niet goed gevonden zouden zijn, want ze
zijn best inventief, maar wel dat ze te “geschreven” klinken. Op
die momenten hoor je de scenarist spreken, niet de personages. Dat
kàn werken, wanneer je zo’n literaire dialoogstijl consequent
doortrekt en er gewoon de hele tijd gebruik van maakt, zoals recent
in ‘Closer’ het geval was. Die
dialogen waren ook niet reëel, maar ze stonden wel heel de tijd op
dat aangedikte niveau. Hier worden gewone, realistische dialogen
echter onderbroken door plotse dichterlijke uitvallen van de
personages – geen wonder dat het dan geforceerd klinkt.

Maar goed, na het lamentabele jaar dat 2004 was voor de Vlaamse
film (‘Confituur’! ‘Ellektra’!), doet van Mechelen in ieder
geval nieuwe hoop opflakkeren. ‘De Indringer’ is een zeer degelijke
thriller. Ja, hier en daar wordt hij verraden door een scheve
dialoog en op het einde maakt men net iets te gretig gebruik van de
clichés van het genre, maar toch… Die kop van Koen De Bouw alleen
al zou voldoende reden zijn om te gaan kijken.

http://www.deindringer.be/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + 6 =